ECLI:NL:HR:2026:568
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen toepassing overdrachtsbelastingvrijstelling bij bedrijfsoverdracht via BV's tussen vader en zonen
Belanghebbende, een BV waarin vader en zijn zonen via certificaten van aandelen belangen hielden, nam de hotelonderneming over van een andere BV van vader, met uitzondering van de hotelpanden. Later verkreeg belanghebbende alle aandelen in die BV, die een onroerendezaaklichaam was. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat hij meende dat de vrijstelling voor overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht tussen ouder en kind niet van toepassing was.
Het Hof oordeelde dat de vrijstelling niet van toepassing was omdat de verkrijging niet direct door de zonen maar door belanghebbende, een vennootschap, plaatsvond en de aandelen niet door vader maar door een andere BV werden vervreemd. De doorkijkarresten boden volgens het Hof geen grond om de betrokken rechtspersonen geheel weg te denken.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof de doorkijkarresten te strikt toepaste en dat er sprake was van een gefaseerde bedrijfsoverdracht tussen vader en zonen, zodat door de rechtspersonen heen gekeken moest worden. De Hoge Raad verwierp dit en benadrukte dat de vrijstelling alleen geldt bij overdracht tussen natuurlijke personen, conform de bedoeling van de wetgever. De doorkijkarresten betreffen slechts het object van overdracht en niet de persoon van overdrager of verkrijger. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de overdrachtsbelastingvrijstelling niet geldt bij overdracht via BV's tussen vader en zonen.