Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:572

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
23/04329
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep omzetbelasting en toekent schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende, V.O.F. [X], stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de door haar betaalde omzetbelasting over het laatste kwartaal van 2019, met betrekking tot de levering van magische truffels. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

De zaak betrof de uitleg van art. 9, lid 2, letter a, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de toepassing daarvan op levensmiddelen voor menselijke consumptie, waaronder magische truffels. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het rechtszekerheidsbeginsel.

Daarnaast had belanghebbende een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde een termijnoverschrijding van minder dan zes maanden en kende een vergoeding van € 500 toe.

De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest werd op 10 april 2026 gewezen door de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04329
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
V.O.F. [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2023, nr. 22/00187 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/3756) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door A.J.C. Perdaems, advocaat, en voor de Staatssecretaris door W.l. Wisman en L.J. Overwater, advocaten.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 22 december 2023 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 22 december 2023 verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 3 november 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden. Het financiële belang bij deze procedure bedraagt meer dan € 1.000. [2] Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

4.Proceskosten

4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. [3]

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
3.Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.