Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de door haar verschuldigde omzetbelasting voor het tijdvak van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De zaak betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie konden worden aangemerkt in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de BTW-richtlijn 2006, en daarmee onder de vrijstelling van artikel 9, lid 2, letter a, Wet OB vielen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld en verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) waarin soortgelijke gronden zijn behandeld. De middelen van belanghebbende faalden op dezelfde gronden als in dat arrest. De Hoge Raad zag geen aanleiding om het oordeel van het hof te wijzigen.
De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de omzetbelasting over de levering van magische truffels terecht is geheven, waarbij het rechtszekerheidsbeginsel is betrokken in de overwegingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de omzetbelastingheffing over magische truffels blijft in stand.