Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:582

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/03121
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, lid 2, letter a, Wet OBpost a.1, van Tabel I bij de Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslagen omzetbelasting op magische truffels

Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de periodes van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019. Het geschil betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie konden worden aangemerkt en daarmee onder de vrijstelling van omzetbelasting vielen.

Na eerdere uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij de naheffingsaanslagen werden bevestigd, stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld aan de hand van het rechtszekerheidsbeginsel en de toepasselijke bepalingen in de Wet op de Omzetbelasting en de BTW-richtlijn.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) waarin soortgelijke kwesties zijn behandeld en concludeert dat de middelen van belanghebbende falen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere uitspraken. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting op magische truffels.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03121
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nrs. 22/1571 en 22/1572 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 22/801 en BRE 22/815) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 en de periode 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.