Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Proceskosten
Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen, bij voorkeur bij de uitspraak op het verzet [3] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM met dagtekening 13 april 2023. Hij diende een bezwaarschrift in dat door de inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de bezwaartermijn op 25 mei 2023 eindigde, omdat de aanslag op of voor de dagtekening was verzonden.
Belanghebbende betwistte dat de aanslag tijdig was bezorgd en stelde dat hij deze pas later ontving via een buurman. De Rechtbank vond echter dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de verzending tijdig had plaatsgevonden, ondanks het ontbreken van een verzendbewijs.
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur de bewijslast draagt om aannemelijk te maken wanneer en aan welk postbedrijf de aanslag is aangeboden. Omdat de inspecteur dit niet kon aantonen, moet worden aangenomen dat de aanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn vangt daarom pas aan op het moment dat belanghebbende de aanslag daadwerkelijk heeft ontvangen.
De zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling. De Hoge Raad wijst ook op de procedure rond proceskostenvergoeding en stelt belanghebbende in de gelegenheid nadere gegevens te verstrekken. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 17 april 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende bewijs van tijdige verzending van de naheffingsaanslag en stelt dat de bezwaartermijn pas aanvangt bij daadwerkelijke ontvangst.