Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:729

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
22/02814
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 AOWArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake toepasselijke socialezekerheidswetgeving

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. De zaak betrof een besluit van de Sociale Verzekeringsbank over de voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving.

De Hoge Raad stelde de behandeling uit in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit Hof gaf op 4 september 2025 antwoord in het arrest Hakamp (C-203/24). Partijen kregen vervolgens gelegenheid om schriftelijk te reageren op dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het oordeel van de Centrale Raad, die zich richtten op feitelijke vaststellingen, niet ontvankelijk waren in cassatie. Hierdoor was het niet relevant om prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging van Unierecht. Ook de overige klachten konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02814
Datum1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 mei 2022, nrs. 21/2248 AOW en 21/2225 AOW [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 20/1017) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank inzake de voorlopige vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Weermeijer, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2
Bij brief van 15 maart 2024 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad bij arrest van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, gestelde prejudiciële vragen.
Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 4 september 2025, Hakamp, C-203/24, ECLI:EU:C:2025:662 (hierna: het arrest Hakamp), die vragen beantwoord.
1.3
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest Hakamp. Belanghebbende en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank hebben schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De klachten die zijn gericht tegen het oordeel van de Centrale Raad dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is op belanghebbende, falen. De klachten richten zich namelijk enkel tegen vaststellingen van feitelijke aard van de Centrale Raad. Daarover kan in cassatie niet met succes worden geklaagd. Daardoor is het antwoord op een eventuele vraag over de uitlegging of geldigheid van een bepaling van Unierecht, hoe het ook luidt, niet relevant voor de beslissing van het geschil in cassatie. Als gevolg daarvan bestaat geen aanleiding een prejudiciële vraag daarover aan het Hof van Justitie te stellen.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Centrale Raad beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.