ECLI:NL:CRVB:2022:1239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepasselijkheid Nederlandse socialezekerheidswetgeving op binnenvaartmedewerkers ondanks meningsverschil met Liechtenstein
Appellanten, Nederlandse ingezetenen werkzaam aan boord van een binnenvaartschip met Nederlandse eigenaar, stonden op de loonlijst van een Liechtensteins bedrijf en verrichtten werkzaamheden in meerdere EU-lidstaten. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde bij besluiten van 8 november 2019 de Nederlandse socialezekeringswetgeving voorlopig van toepassing op appellanten, wat door het bevoegde orgaan van Liechtenstein werd betwist, leidend tot een meningsverschil.
Tijdens de bezwaarprocedure en het hoger beroep maakten appellanten bezwaar tegen de toepassing van de Nederlandse wetgeving, stellende dat zij geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland verrichtten en dat de door de Svb gehanteerde methodiek in strijd was met het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn. De Svb baseerde haar oordeel op vaartijdenboeken waaruit bleek dat appellanten in 2016, 2017 en 2018 respectievelijk 28%, 24% en 26% van de tijd in Nederland waren.
De Raad oordeelde dat de Svb's vaststellingsmethodiek gerechtvaardigd is en niet in strijd met het Reglement. De individuele arbeidstijdenoverzichten van appellanten waren onvoldoende objectief verifieerbaar. Hoewel het percentage in 2017 onder de 25% lag, achtte de Raad het aannemelijk dat appellanten een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland verrichtten, mede vanwege hun woonplaats en de registratie van het schip in Nederland.
Het meningsverschil tussen de Nederlandse en Liechtensteinse organen bleef bestaan, waardoor op grond van artikel 6 van Pro de toepassingsverordening de Nederlandse wetgeving voorlopig van toepassing moest blijven. De beroepen van appellanten werden ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Nederlandse socialezekerheidswetgeving is terecht voorlopig van toepassing verklaard op appellanten; de beroepen worden ongegrond verklaard.