Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:739

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
25/02784
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in loonheffingenzaak gemeente tegen Staatssecretaris van Financiën

De gemeente X heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die op zijn beurt het hoger beroep behandelde van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland over het door de gemeente afgedragen bedrag aan loonheffingen over februari 2021.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van de gemeente beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om de proceskosten aan de gemeente toe te rekenen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere rechterlijke instanties en sluit het geschil over de loonheffingen af.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de gemeente wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02784
Datum1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juli 2025, nr. BK-ARN 23/2796 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. ARN 22/4316) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak februari 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. van Barneveld, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [2]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25, en HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:660.