Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van oplichting en witwassen in het kader van grootschalige beleggingsfraude. Het hof had de verdachte veroordeeld tot betaling van ruim drie miljoen euro aan benadeelde partijen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van hetzelfde bedrag ten behoeve van deze partijen.
De verdachte stelde cassatie in tegen het hofarrest, waarbij onder meer werd geklaagd dat het hof niet had vermeld dat sprake was van een alternatieve vergoedingsplicht, waardoor dubbele schadevergoeding wordt voorkomen. Daarnaast werd aangevoerd dat het hof ten onrechte niet in het dictum had opgenomen dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk was opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad had verzuimd de alternatieve vergoedingsplicht te vermelden en dat dit herstel behoorde te vinden. Tevens werd bevestigd dat het hof de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk had bedoeld op te leggen, ondanks het ontbreken van een expliciete vermelding in het dictum. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest deels, mat de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en wees op de mogelijkheid van herstel door het hof zelf.
De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke en ondubbelzinnige verwoording van vergoedingsverplichtingen en hoofdelijkheid in strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt deels het hofarrest, bevestigt de alternatieve vergoedingsplicht en hoofdelijkheid van de schadevergoedingsmaatregel en vermindert de gevangenisstraf tot veertig maanden.