Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.De beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
22 mei 2026.
Hoge Raad
De ondernemers, horecaondernemers en bestuurders van BOMO III B.V., sloten in 2008 twee renteswaps af met Deutsche Bank om renterisico af te dekken. Zij stelden dat Deutsche Bank hen onvolledig had geïnformeerd over haar rentevisie en dat daardoor sprake was van dwaling bij het aangaan van de renteswap. Tevens werd een schending van de bancaire zorgplicht door Deutsche Bank betoogd.
De rechtbank en het hof Amsterdam verwierpen deze vorderingen. Het hof oordeelde onder meer dat een bank niet per definitie gehouden is haar rentevisie te delen en dat rentevoorspellingen slechts betrekkelijke waarde hebben. Ook vond het hof dat de ondernemers onvoldoende onderbouwde stellingen hadden aangeboden om het bewijsaanbod te honoreren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of Deutsche Bank voorafgaand aan het sluiten van de renteswap had meegedeeld dat de rente zou stijgen en dat dit advies tot dwaling kon leiden. Ook is het oordeel van het hof dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die een mededelingsplicht over de rentevisie rechtvaardigen, onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast heeft het hof onterecht het bewijsaanbod gepasseerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.