Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van de Rechtbank
4.Beoordeling van de middelen
Op grond van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet worden voor de toepassing van dat artikel onder beleggingen mede begrepen liquide middelen alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, lid 4, van de Wet.
Het middel bestrijdt terecht niet de oordelen van de Rechtbank dat de activiteiten van belanghebbende niet (min of meer) kortstondige verhuur betreffen maar reguliere verhuur, waarbij sprake is van een relatie tussen belanghebbende en de gebruikers, en dat haar activiteiten ook niet in lijn zijn met de in de brief van 9 februari 2001 genoemde voorbeelden. Gelet op die oordelen en de situaties waarop de brief van 9 februari 2001 ziet, is er geen aanleiding voor de aan het middel ten grondslag liggende veronderstelling dat, wanneer ten tijde van die brief artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet al zou zijn ingevoerd, de wetgever ook een uitzondering zou hebben gemaakt voor onroerende zaken die worden gebruikt voor de langjarige verhuur door woningcorporaties in het kader van de uitoefening van hun taak op het gebied van de volkshuisvesting.
In dit verband verdient overigens opmerking dat belanghebbende weliswaar een taak op het gebied van de volkshuisvesting vervult, maar geen woningcorporatie is. Belanghebbende is als naamloze vennootschap belastingplichtig op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet.