Conclusie
1.Overzicht
BNB1977/211 volgt echter dat voor toepasselijkheid van art. 20a Wet Vpb niet vereist is dat de betrokkenen uit zijn op oneigenlijke verliesbenutting. Het karakter van lid 8(a) (een fictie die vastgoedverhuur aan derden voor de toepassing van art. 20a(4) ongeclausuleerd aanmerkt als beleggen) brengt verder mee dat de bedrijfsmatige of maatschappelijke aard van de verhuur niet ter zake doen. Het maakt dus niet uit dat met de aandelenoverdracht geen fiscaal doel werd nagestreefd en dat de verliezen van belanghebbendes dochters mede een gevolg zijn van belanghebbendes maatschappelijke doelstelling, waardoor niet voor winstmaximalisatie is gekozen, maar voor leefbaarheid, ‘goede’ huurders en een gematigd huurprijsbeleid. Of dat resultaat wenselijk is, staat niet ter beoordeling van de rechter, maar van de politiek.
2.De feiten en het geding bij de Rechtbank
3.Het geding in cassatie
4.De regels en hun achtergrond
1. Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een verlies nog niet volledig is verrekend, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, zijn de verliezen geleden voor het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel 20, niet meer voorwaarts verrekenbaar. (…).
(…)
4. Het eerste lid is (…) niet van toepassing op een verlies dat is geleden in een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden, mits:
(…).
8. Voor de toepassing van dit artikel:
a. worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid;
(…)
12. Indien een belastingplichtige vanaf enig tijdstip als gevolg van de toepassing van dit artikel verliezen niet meer kan verrekenen met winsten na dat tijdstip, kan hij op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip een herinvesteringsreserve in de winst opnemen en de boekwaarde van zijn bezittingen verhogen tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer, behoudens voorzover die verhoging gepaard zou moeten gaan met een verhoging van de boekwaarde van een verplichting.’’
Maatregelen ter financiering van het ondernemerspakket
De huidige regeling (…) houdt kortweg in dat de verliezen niet meer verrekenbaar zijn ingeval de belastingplichtige zijn onderneming heeft gestaakt en een nieuwe onderneming begint waarvan de winsten in belangrijke mate ten goede kunnen komen aan andere aandeelhouders dan de aandeelhouders op het moment van staking van de onderneming. (…). In de praktijk is echter gebleken dat de huidige regeling (artikel 20, vijfde lid, Vpb) op een aantal punten tekort schiet. Zo is de regeling niet van toepassing indien de belastingplichtige geen materiële onderneming heeft gedreven, maar zich heeft beziggehouden met beleggingen. In die situatie zijn de verliezen ondanks een wisseling van aandeelhouders onder de huidige wetgeving volledig verrekenbaar. Kenmerk van beleggen is echter dat opbrengsten worden behaald met activa die niet bedrijfsgebonden zijn en eenvoudig kunnen worden vervangen door andere activa. Indien de aandelen in een dergelijke vennootschap worden verworven, zal het de aandeelhouder niet zozeer te doen zijn om de specifieke activa van deze vennootschap, maar juist om de mogelijkheid om de nog openstaande verliezen te compenseren. Bij beleggen gaan de activiteiten in het algemeen niet uit boven normaal vermogensbeheer. Voorbeelden van beleggingen zijn aandelen die ter beurze zijn genoteerd, uitstaande deposito’s en obligaties en onroerende zaken die geen band hebben met de materiële onderneming van de belastingplichtige, maar worden aangehouden voor de huuropbrengst dan wel de vervreemdingswinst.
Net als onder de huidige regeling komt in het voorstel een beperking van de verliescompensatie alleen in beeld ingeval zich een aandeelhouderswisseling heeft voorgedaan. Niet iedere aandeelhouderswisseling kan leiden tot het beperken van de verliescompensatie, maar alleen een wisseling waardoor de uiteindelijke zeggenschap of gerechtigdheid in belangrijke mate, dat wil zeggen 30% of meer, wordt gewijzigd. (…). Bestaat het vermogen van de belastingplichtige niet in belangrijke mate uit beleggingen, dan kunnen de verliezen na een aandeelhouderswisseling nog worden verrekend indien door de belastingplichtige na het verliesjaar geen andersoortige activiteiten worden verworven of gestart. De laatstgenoemde voorwaarde heeft tot doel te voorkomen dat verliezen worden verrekend met winsten die niets te maken hebben met de activiteiten waarmee de verliezen zijn geleden. Een en ander betekent dat verliezen en winsten meer dan tot nu toe worden gekoppeld aan de onderneming waarmee [zij; PJW] zijn geleden respectievelijk behaald; en in mindere mate aan de vennootschap. Dit behoeft geen belemmering te vormen voor herstructurering na een aandeelhouderswisseling. Om te voorkomen dat de nog te verrekenen verliezen vervallen in de situatie dat vanuit bedrijfseconomisch standpunt nieuwe activiteiten gewenst zijn, kan men de nieuwe activiteiten onderbrengen in een aparte vennootschap. Als de betrokken vennootschappen vervolgens een fiscale eenheid aangaan, kunnen nieuwe winsten en verliezen met elkaar worden verrekend, terwijl door winstsplitsing de oude verliezen kunnen worden verrekend met nieuwe winsten uit de oude activiteiten.
(…).
Het feit dat de uiteindelijke zeggenschap dan wel de uiteindelijke gerechtigdheid in belangrijke mate is gewijzigd, brengt niet automatisch met zich mee dat de verliezen niet meer kunnen worden verrekend. In het vierde lid is aangegeven dat indien aan een drietal voorwaarden wordt voldaan de verliezen ondanks de aandeelhouderswisseling tot verrekening kunnen komen.
Indien als gevolg van de toepassing van dit artikel komt vast te staan dat de verliezen niet meer tot verrekening met winsten van volgende jaren kunnen komen, wordt de belastingplichtige de mogelijkheid geboden zijn vermogen te herwaarderen. Dit is geregeld in het negende lid [thans lid 12, PJW]. Door de herwaardering kunnen de nog te verrekenen verliezen zoveel mogelijk worden gecompenseerd met nog niet gerealiseerde meerwaarden van vermogensbestanddelen die binnen de onderneming werden gebruikt op het moment dat de verliezen zijn ontstaan. De herwaardering dient plaats te vinden op het tijdstip dat direct voorafgaat aan het boekjaar waarin komt vast te staan dat verliezen niet meer verrekend kunnen worden.”
(…).
In het zesde [thans achtste; PJW] lid wordt het beleggingscriterium voor de toepassing van artikel 20a op twee punten nader ingevuld. Daarmee wordt aangegeven hoe voor de toepassing van dit artikel moet worden omgegaan met twee soorten activa die voor de toepassing van andere onderdelen van de Wet Vpb niet altijd als belegging worden beschouwd. Daarmee wordt ook voorkomen dat het beleggingsbegrip dat voor artikel 20a van belang is, uitstraling heeft naar de toepassing van andere artikelen van die wet. In onderdeel a is aangegeven dat voor de toepassing van dit artikel ook als beleggingen worden aangemerkt liquide middelen en onroerende zaken die bestemd zijn om ter beschikking te worden gesteld aan niet verbonden lichamen. De eerstgenoemde uitbreiding is ook in enkele andere bepalingen van de Wet Vpb opgenomen. De laatstgenoemde uitbreiding bevat de toespitsing van de reparatiemaatregel op de tweede situatie waarvan in het voorgaande is aangegeven dat gesproken kan worden van handel in verliezen. Met die uitbreiding wordt voorkomen dat verlieslijdende onroerendgoedvennootschappen worden gekocht om de openstaande verliezen te kunnen gebruiken voor het wegstrepen van de winst op nieuw ingebrachte onroerende zaken.”
Antwoord:Bij de formulering van artikel 20a, zesde lid, is aangesloten bij artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De laatstgenoemde bepaling sluit bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk zijn bestemd om aan derden ter beschikking te worden gesteld, uit voor de investeringsaftrek. Het begrip terbeschikkingstelling in artikel 20a moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als voor de investeringsaftrek. Voor de investeringsaftrek is sprake van «ter beschikking stellen» indien een ander in de gelegenheid wordt gesteld van het gebodene gebruik te maken, onder welke naam of in welke vorm dan ook. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan verhuur. Ook bij time-charter van schepen en bij hotelexploitatie is in principe sprake van «ter beschikking stellen». Omdat dit met name in de dienstensector zoals bij hotelexploitatie - niet strookt met de bedoeling van de wet, wordt een minder strikt standpunt ingenomen indien sprake is van een normale zakelijke exploitatie, waarbij de afstand van het gebruik min of meer kortstondig is, terwijl een relatie tussen de eigenaar/exploitant en de gebruiker(s), afgezien van die ter zake van het gebruik, ontbreekt. Te denken valt hierbij aan hotels, cafe’s, restaurants, tennishallen, bowling-banen, squash-banen en dergelijke. In de door de leden van de CDA-fractie bedoelde situaties zullen de onroerende zaken voor de toepassing van artikel 20a dus in de regel niet worden aangemerkt als belegging.”
(…).”
level playing field, zowel EU-rechtelijk als nationaalrechtelijk, daartoe noopten: de partiële vrijstelling kon staatssteun zijn en verstoorde de concurrentieverhouding met andere vastgoedondernemingen: [11]
15. Invoering integrale vennootschapsbelastingplicht woningcorporaties
18.EU aspecten(…).In een eerder stadium heeft de Europese Commissie het bestaan van een vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties in beginsel als staatssteun aangemerkt. De Europese Commissie beschouwt een vrijstelling van een belastingplicht voor een specifieke sector als een verlichting van lasten die de begunstigde normaal gesproken zou moeten dragen en dus als verstoring van de mededinging. Deze maatregel kan alleen worden gerechtvaardigd door te voldoen aan de voorwaarden voor het opleggen van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB), ter compensatie voor sociale activiteiten. Het wegnemen van deze vrijstelling zal de verstoring van de mededinging op het gebied van de vennootschapsbelasting wegnemen. (…).
5.Ad middel I: de uitleg van art. 20a(8)(a) Wet Vpb en exceptieve toetsing
animus compensandiis vereist en dat op dit punt geen wijziging is beoogd ten opzichte van de voorganger van art. 20a Wet Vpb (art. 20(5) Wet Vpb), voor de toepassing waarvan evenmin was vereist dat de betrokkenen de bedoeling hadden om oneigenlijk gebruik te maken van (andermans) verliesverrekeningsmogelijkheden. [16]
BNB1977/211 [17] bevestigd dat niet ter zake doet of zich daadwerkelijk handel in verlieslichamen voordoet. U overwoog:
overkillin (thans) art. 20a Wet Vpb. [21] Dat ook die bepaling
overkillinhoudt, werd bij de invoering ervan in 2001 al gesignaleerd: [22]
(…).
(…).
Wij hebben een gematigd huurprijsbeleid, met ingroei- en afslaghuur. Dat doen we om de juiste partijen aan ons te binden, zodat de binnenstad toegankelijk is voor de juiste personen.”
level playing fieldten opzichte van andere vastgoedondernemingen (zie 4.3 hierboven). Dat de Stichting vpb-plichtig is, verhoudt zich wellicht niet comfortabel met dier maatschappelijke taak en de binnenstadsanerende activiteiten van haar dochters, waaronder die van de belanghebbende. Het lijkt weinig consistent dat de Stichting voor de belastingplicht geacht wordt een onderneming te drijven en voor de toepassing van art. 20a Wet Vpb niet, maar dat geldt voor alle vastgoed(verhuur)ondernemingen. Met de Inspecteur meen ik dat het ‘zonde’ is dat de belanghebbende niet de verliezen uit haar binnenstadsanerende periode mag verrekenen nu het eindelijk beter gaat met die binnenstad, maar de wetgever heeft bewust geabstraheerd van motieven en alleen objectieve criteria gebruikt en woningcorporaties gelijk willen behandelen met vastgoed(verhuur)ondernemingen.
Dura lex sed lex.
carry forward) is niet gebleken, en de Staatssecretaris merkt terecht op dat die beperking wordt verzacht door de mogelijkheid om in afwijking van goed koopmansgebruik de boekwaarde van de bezittingen op de waarde in het economische verkeer te stellen (art. 20a(12) Wet Vpb). Zoals gezegd staat de beleidsmatige opportuniteit van de belastingplicht van woningcorporaties en de uitsluiting van voorwaartse verliesverrekening in gevallen zoals dat van de belanghebbende niet ter beoordeling van de rechter, maar van de politiek.