Uitspraak
1.De loop van het geding in cassatie tot dusver
Over die reguliere zaken stelt belanghebbende dat [A] standaardtarieven hanteert bij een naheffing op één voertuig, te weten € 295 voor de bezwaarprocedure en € 500 voor (hoger) beroep en cassatie. In het geval dat een naheffingsaanslag meerdere voertuigen omvat en die voertuigen worden in de procedure betrokken, wordt € 50 per extra voertuig in rekening gebracht. Al deze bedragen zijn exclusief omzetbelasting.
Naast dit standaardtarief hanteert [A] volgens belanghebbende een succesfee van 15 procent voor de fase van bezwaar, 20 procent voor beroep en 25 procent voor hoger beroep en cassatie. Dit percentage wordt toegepast op het bedrag waarmee de naheffingsaanslag wordt verminderd.
Daarnaast stelt belanghebbende dat degenen in wiens naam [A] procedeert, de verschuldigde griffierechten hebben te voldoen. Proceskostenvergoedingen worden, zo stelt belanghebbende, uitgekeerd op de bankrekening van de belanghebbende.
De door [A] op haar website aangeboden diensten op basis van no cure no pay gelden volgens belanghebbende uitsluitend voor zogeheten WLTP-procedures in het kader van een zogenoemde class-action. De onderhavige zaak valt daar niet onder.
In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de WHpkv overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1).
Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor genoemde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen, waarin de uit de WHpkv voortvloeiende beperkingen van de proceskostenvergoeding niet gelden. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).
De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet bpm.
(i) twee proceshandelingen (beroepschrift in cassatie en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee van 2,5 punt,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en
(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet bpm, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd.
Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 234.