Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:838

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/02737
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 WvggzArt. 6:5 WvggzArt. 6:6 lid 1 WvggzArt. 6:6 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur zorgmachtiging wegens verstrijken beslistermijn Wvggz

De rechtbank Gelderland verleende een zorgmachtiging aan betrokkene voor zes maanden, gevolgd door een aansluitende machtiging van twaalf maanden. De officier van justitie had tijdig een verzoek voor de aansluitende machtiging ingediend, maar de rechtbank besloot niet binnen de wettelijke beslistermijn van drie weken. Hierdoor verviel de eerdere machtiging voordat de nieuwe werd toegekend.

De Hoge Raad oordeelt dat door het verstrijken van de beslistermijn de aansluitende machtiging niet rechtsgeldig voor twaalf maanden kon worden verleend. De rechter kan na het vervallen van de eerdere machtiging slechts een nieuwe machtiging voor maximaal zes maanden verlenen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking dat de machtiging voor twaalf maanden verleent en bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot uiterlijk 31 januari 2026, zes maanden na de datum van de beschikking van de rechtbank.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de beslistermijnregels in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de maximale duur van aansluitende zorgmachtigingen.

Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de duur van de zorgmachtiging tot zes maanden vanwege het verstrijken van de beslistermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02737
Datum5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT GELDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/453803 / FA RK 25-2283 van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal twaalf maanden tot en met 31 juli 2026, en tot afdoening als onder 3.9 in de conclusie vermeld.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, van 25 februari 2025 tot en met uiterlijk 25 augustus 2025.
2.2
De officier van justitie heeft op 4 juli 2025 een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de rechtbank [1] een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met uiterlijk 31 juli 2026.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing de beslistermijn van art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz was verstreken, zodat de eerdere zorgmachtiging op grond van art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro was vervallen en geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging en de zorgmachtiging dus niet voor de duur van twaalf maanden maar slechts voor de duur van zes maanden kon worden verleend.
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.3
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. [2]
3.4
In het hiervoor in 3.3 beschreven stelsel kan het zich dus voordoen dat een machtiging vervalt voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. Dat is onder meer het geval als de officier van justitie meer dan drie weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging indient en de rechter daarop niet binnen drie weken beslist. De nieuwe machtiging sluit dan niet aan op de voorgaande machtiging en kan daarom slechts voor maximaal zes maanden worden verleend.
3.5
In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 4 juli 2025, dus ruim voordat de geldigheidsduur was verstreken. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 25 juli 2025) beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Daardoor is de lopende machtiging op 26 juli 2025 vervallen.
3.6
Gelet op het vorenstaande voert het middel terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op de eerdere zorgmachtiging. Daaraan doet niet af dat op het moment dat de rechtbank de zorgmachtiging verleende, de in de eerdere, inmiddels vervallen machtiging genoemde maximale duur nog niet was verstreken. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van twaalf maanden. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt.
3.7
Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz en het vervallen van de eerdere machtiging kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan evenwel slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. [3] De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist, dus tot en met uiterlijk 31 januari 2026.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met uiterlijk 31 juli 2026;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 31 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
5 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 31 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7360.
2.Vgl. o.a. HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1321, rov. 3.3.
3.Zie o.a. HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, rov. 3.7.