ECLI:NL:HR:2026:87

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/00462
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over naheffingsaanslag BPM en recht op vergoeding van kosten bezwaarfase

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). De belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, had een personenauto geregistreerd in Nederland en had een bedrag aan BPM voldaan. De Inspecteur had echter een te lage CO2-uitstoot gehanteerd bij het vaststellen van de naheffingsaanslag, wat leidde tot een onjuiste berekening van het verschuldigde bedrag. De Rechtbank had de naheffingsaanslag verlaagd, maar de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase niet vergoed. Het Hof oordeelde dat de vermindering van de naheffingsaanslag niet het gevolg was van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, wat door de Hoge Raad werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de Inspecteur inderdaad een onrechtmatigheid had begaan en dat de belanghebbende recht had op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraken van het Hof en de Rechtbank, en droeg de Staatssecretaris van Financiën op om de gemaakte kosten te vergoeden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00462
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-22/850 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1283) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige, gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) op 10 oktober 2018 doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. De personenauto heeft een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
2.2
Met het oog op de hiervoor bedoelde registratie heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Teneinde de verschuldigde bpm met inachtneming van een vermindering vanwege de gebruikte staat vast te stellen, een en ander als voorzien in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2018; hierna: de Wet), heeft belanghebbende de handelsinkoopwaarde van de personenauto doen bepalen door middel van taxatie als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet. Het taxatierapport is bij de aangifte gevoegd.
2.3
In de aangifte is een bedrag van € 53.262 vermeld als “historische nieuwprijs bij verkoop”, dat wil zeggen de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Belanghebbende is voor de berekening van het hiervoor bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
2.4
Desgevraagd heeft belanghebbende de personenauto bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) getoond voor een hertaxatie. Volgens DRZ vertoonde de personenauto geen andere schade dan normale gebruiksschade.
Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som gesteld op € 53.894. Het bedrag aan bpm op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen, heeft hij berekend naar een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer.
2.5
De Inspecteur heeft voor de Rechtbank gesteld dat hij bij de hiervoor in 2.4 vermelde berekening ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer. Uitgaande van de voor de personenauto vaststaande CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer heeft hij de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som gesteld op € 55.683. De Inspecteur heeft geconcludeerd dat door deze verkeerde berekening de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 138 tot een bedrag van € 3.261, en dat dienovereenkomstig de belastingrente met € 3 moet worden verminderd.
2.6
De Rechtbank heeft aangenomen dat tussen partijen niet in geschil is dat voor toepassing van artikel 10, lid 2, van de Wet (en dus voor het berekenen van het afschrijvingspercentage) moet worden uitgegaan van het door de Inspecteur gestelde bedrag van € 55.683. Op onder meer deze grond heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag (€ 3.399) verminderd tot een bedrag van € 2.969.
2.7
De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat voor een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geen aanleiding is, omdat belanghebbende de hiervoor in 2.5 bedoelde verhoging van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm ten opzichte van het in de aangifte vermelde bedrag niet in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld.
2.8
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van kosten voor de bezwaarfase. Het Hof heeft geoordeeld dat de herrekening door de Inspecteur van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som heeft plaatsgevonden op basis van uitgangspunten waarop belanghebbende zich niet in de bezwaarprocedure had beroepen. De vermindering van de naheffingsaanslag in beroep was volgens het Hof niet het gevolg van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb. Daarom bestaat geen recht op vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, aldus het Hof.

3.Beoordeling van de klachten

3.1
De klachten richten zich tegen het hiervoor in 2.8 weergegeven oordeel van het Hof dat de hiervoor in 2.5 bedoelde vermindering van de naheffingsaanslag niet heeft plaatsgevonden wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
3.2
Op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet en artikel 10, lid 8, van de Wet moet het afschrijvingspercentage worden bepaald door de som van de catalogusprijs van het te registreren motorrijtuig en het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen, te verminderen met de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig. [2]
3.3
De Inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag voor het bepalen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer. Die CO2-uitstoot was te laag. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som moet worden bepaald op basis van de catalogusprijs van de personenauto zoals vermeld in de koerslijst Autotelex en, gelet op het hiervoor in 2.5 weergegeven standpunt van de Inspecteur, de voor de personenauto geldende CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
De omstandigheid dat belanghebbende in verband met toepassing van artikel 10, lid 8, van de Wet in beroep voor het eerst heeft gesteld dat zij de handelsinkoopwaarde van de personenauto mede wilde baseren op de koerslijst EurotaxGlass’s en die handelsinkoopwaarde vervolgens op die grond is aangepast, staat los van het oordeel van de Rechtbank over de hoogte van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som en de daaraan verbonden vermindering in zoverre van de naheffingsaanslag. Het andersluidende oordeel van het Hof is onjuist en de klachten slagen voor zover zij dit oordeel bestrijden.
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2
Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, is de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag voor het bepalen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een te lage CO2-uitstoot van de personenauto. Dit levert een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb op. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd onder meer vanwege deze verkeerde berekening van de Inspecteur. Aan belanghebbende komt een vergoeding toe voor de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, bestaande uit de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.4.3
Voor het berekenen van het bedrag van de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van twee handelingen (indienen van een bezwaarschrift en verschijnen ter hoorzitting), de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak, en toepassing van de waarde per punt als vermeld in onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Gelet op artikel XIV van het Eindejaarsbesluit 2024 [3] en de op dat artikel gegeven toelichting, en op de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486 [4] , moeten deze kosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 666.

4.Proceskosten

4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Over de hoogte van de vergoeding van die kosten overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.2.1
Aan belanghebbende is in het geding in cassatie beroepsmatig rechtsbijstand verleend door S.M. Bothof. Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) [5] , gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
4.2.2
Het beroep in cassatie is ingesteld op 13 februari 2024. Totdat de Hoge Raad het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), had gewezen, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. De Hoge Raad heeft daarom in dat arrest beslist dat hij, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, elke belanghebbende die voor de datum van dat arrest beroep in cassatie heeft ingesteld, in de gelegenheid zal stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast.
4.2.3
In de op 26 september 2025 gewezen arresten met zaaknummers 24/03078bis [6] , 24/03087bis [7] , 24/03106bis [8] , 24/03287bis [9] , 24/03288bis [10] , 24/03388bis [11] , 24/03389bis [12] , 24/03394bis [13] en 24/03395bis [14] (hierna: de arresten van 26 september 2025) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de betrokken belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof (dat is dezelfde gemachtigde als die voor belanghebbende optreedt) erin is geslaagd buiten redelijke twijfel te bewijzen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde die ter zake van het cassatieberoep beroepsmatig rechtsbijstand verleende, de besloten vennootschap Bothof Services B.V., beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, in het jaar 2024 niet het kenmerk heeft van optreden op basis van no cure no pay.
In rechtsoverweging 2.7.1 van de arresten van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad aangekondigd dat met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de gemachtigde, Bothof Services B.V., als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2024 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedure over de bpm waarin de belanghebbende voor de Hoge Raad stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ervan zal worden uitgegaan dat Bothof Services B.V. niet werkt op basis van no cure no pay.
Gelet op die beslissing over het bedrijfsmodel in 2024 van deze gemachtigde acht de Hoge Raad het niet meer nodig om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure zonder inachtneming van de WHpkv.
4.3
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt voor 1 januari 2024, blijft bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van die kosten de WHpkv buiten toepassing, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Voor de hoogte van de vergoeding gaat de Hoge Raad uit van twee proceshandelingen (indienen van een beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak, en toepassing van de waarde per punt als vermeld in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 934. [15]

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 294 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht van € 274 ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.736 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714, rechtsoverweging 3.3.4.
3.Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten, Stb. 2024, 441.
4.Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2025, 39855.
5.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
15.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.