Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoeld verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbenden, gehuwd en fiscaal partners, verzochten om herverdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over het jaar 2015, nadat belanghebbende 2 in 2018 een ondernemingsverlies leed dat in 2020 achterwaarts werd verrekend met het inkomen van 2015. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat de aanslagen voor 2015 onherroepelijk vaststonden. De Rechtbank bevestigde deze afwijzing op grond van de Uitvoeringsregeling IB 2001.
Het Hof oordeelde dat artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 geen wijziging van de verdeling toelaat na onherroepelijke aanslagen, maar achtte het onvoorzien dat achterwaartse verliesverrekening tot een nadelig effect leidt dat niet kan worden gecorrigeerd door herverdeling. Het Hof besloot daarom de aanslag van belanghebbende 1 te verminderen.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, terwijl belanghebbenden incidenteel beroep instelden. De Hoge Raad verklaarde het principale beroep gegrond en het incidentele ongegrond, vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank. Tevens kende de Hoge Raad een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.