Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:913

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/01291
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001Art. 120 GrondwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing herverdeling gezamenlijke grondslag sparen en beleggen na onherroepelijke aanslagen

Belanghebbenden, gehuwd en fiscaal partners, verzochten om herverdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over het jaar 2015, nadat belanghebbende 2 in 2018 een ondernemingsverlies leed dat in 2020 achterwaarts werd verrekend met het inkomen van 2015. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat de aanslagen voor 2015 onherroepelijk vaststonden. De Rechtbank bevestigde deze afwijzing op grond van de Uitvoeringsregeling IB 2001.

Het Hof oordeelde dat artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 geen wijziging van de verdeling toelaat na onherroepelijke aanslagen, maar achtte het onvoorzien dat achterwaartse verliesverrekening tot een nadelig effect leidt dat niet kan worden gecorrigeerd door herverdeling. Het Hof besloot daarom de aanslag van belanghebbende 1 te verminderen.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, terwijl belanghebbenden incidenteel beroep instelden. De Hoge Raad verklaarde het principale beroep gegrond en het incidentele ongegrond, vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank. Tevens kende de Hoge Raad een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01291
Datum12 juni 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nrs. 22/00814 tot en met 22/00817 [1] , op de hoger beroepen van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, (nrs. BRE 20/9415, BRE 21/886, BRE 21/905 en BRE 21/906) betreffende verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbenden voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en verzoeken van belanghebbenden om toekenning van dwangsommen wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
[X1] heeft voor zichzelf en namens zijn echtgenote als belanghebbenden een verweerschrift ingediend. Belanghebbenden hebben ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbenden hebben in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie. [2]
Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Belanghebbenden hebben de Hoge Raad op 4 juni 2024 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoeld verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbenden, [X1] (hierna: belanghebbende 1) en [X2] (hierna: belanghebbende 2), zijn gehuwd en zijn elkaars fiscaal partner.
2.2
Op 3 juni 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2015 opgelegd.
2.3
Belanghebbende 2 heeft in het jaar 2018 een ondernemingsverlies geleden. De Inspecteur heeft op 25 juni 2020 gelijktijdig met de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende 2 het verlies vastgesteld bij beschikking.
2.4
Op 1 juli 2020 is aan belanghebbende 2 een beschikking achterwaartse verliesverrekening gegeven, waarbij het negatieve inkomen uit werk en woning in 2018 is verrekend met haar inkomen uit werk en woning in 2015, en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 daarom is verminderd.
2.5
Op 2 juli 2020 hebben belanghebbenden gezamenlijk verzocht om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor het jaar 2015. Zij hebben daarbij vermeld dat het gaat om een verzoek op grond van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001.
2.6
De Inspecteur heeft aan belanghebbenden meegedeeld dat herverdeling van de grondslag sparen en beleggen niet mogelijk is, omdat de hiervoor in 2.2 bedoelde aanslagen onherroepelijk vaststaan. Hij heeft deze verzoeken opgevat als twee afzonderlijke verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2015. Deze verzoeken heeft hij afgewezen.
2.7
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur deze verzoeken terecht heeft afgewezen, omdat artikel 45aa, aanhef en letter d, van de Uitvoeringsregeling IB 2001 bepaalt dat de inspecteur een belastingaanslag niet ambtshalve kan verminderen wanneer een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit na het onherroepelijk worden van een aanslag, terwijl dit beroep volgens de wettelijke regels op een eerder moment had moeten worden gedaan. De Rechtbank heeft daarbij overwogen dat de Inspecteur het verzoek van belanghebbenden om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen terecht heeft afgewezen, aangezien beide aanslagen onherroepelijk vaststonden op het moment van het indienen van dat verzoek op 2 juli 2020.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende 1 recht heeft op vermindering van de aanslag IB/PVV 2015. Daarbij was in het bijzonder in geschil of het van belang is dat de aanslag IB/PVV 2015 van belanghebbende 2 onherroepelijk vaststond op het moment waarop het gezamenlijke verzoek tot wijziging van de onderlinge verhouding voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is ingediend.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001, de verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in 2020 niet meer kon worden gewijzigd, omdat de aanslagen IB/PVV 2015 van belanghebbenden toen onherroepelijk vaststonden. Naar het oordeel van het Hof is de tekst van deze bepaling helder en laat deze geen ruimte om in het geval van een verrekening van een aanslag met een openstaand verlies een wijziging in de verdeling mogelijk te achten. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat het artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 niet mag toetsen aan het ongeschreven evenredigheidsbeginsel in verband met het in artikel 120 van Pro de Grondwet neergelegde toetsingsverbod. [3]
3.3
Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever niet voorzien dat als gevolg van achterwaartse verliesverrekening het belastbaar inkomen van een belastingplichtige zodanig wijzigt dat de heffingskorting die voor verliesverrekening wel kon worden benut, niet meer ten volle kan worden benut, en dat herverdeling tussen fiscale partners dit effect niet kan wegnemen, omdat de aanslag van de fiscale partner onherroepelijk vaststaat. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat de wetgever een dergelijk gevolg heeft willen aanvaarden. Het heeft hierbij van belang geacht dat de wijziging van de verdeling van de grondslag in dit geval geen gevolgen heeft voor toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen, maar uitsluitend voor de aanslagen IB/PVV 2015 van belanghebbenden. Om die reden heeft het Hof de aan belanghebbende 1 opgelegde aanslag IB/PVV 2015 verminderd conform het verzoek van belanghebbenden.

4.Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel

Het middel van de Staatssecretaris klaagt over het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof over de mogelijkheid tot herverdeling tussen fiscale partners in geval van achterwaartse verliesverrekening. Volgens het middel doet zich hier geen bijzondere omstandigheid voor in die zin dat toepassing van de wettelijke regeling zou leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en waarvan aannemelijk is dat hij die niet wil aanvaarden. Het middel slaagt op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, in combinatie met de daarin genoemde onderdelen 5.8-5.9 van de gemeenschappelijke bijlage bij die conclusie.
5. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen
De Hoge Raad heeft de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Slotsom

Gelet op wat hiervoor in onderdeel 4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen.

7.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

Belanghebbenden hebben de Hoge Raad op 4 juni 2024 verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 2 april 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbenden gezamenlijk komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

8.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

9.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools, A.E.H. van der Voort Maarschalk en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2024:1135, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1185.
3.Vgl. HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.