Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
de eerste vraagheeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanslag van belanghebbende 2 onherroepelijk vaststond bij het verstrijken van de bezwaartermijn. Ook heeft de Rechtbank terecht overwogen dat het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag niet maakt dat deze niet langer onherroepelijk vaststaat en dat dit ook geldt als de aanslag IB/PVV is verrekend met een openstaand verlies door middel van een beschikking achterwaartse verliesverrekening. De omstandigheid dat tegen de beschikking verliesverrekening een rechtsmiddel openstaat, betekent niet dat tegen de aanslag IB/PVV 2015 nog een rechtsmiddel openstaat.
de tweede vraagheeft het Hof overwogen dat uit het voorgaande volgt dat de Inspecteur een beschikking als bedoeld in art. 2.17(9) Wet IB 2001 had moeten afgeven. Dit betekent volgens het Hof echter niet dat belanghebbenden kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat hen door het weigeren van die beschikking rechtsbescherming is onthouden. De Inspecteur heeft het verzoek als een verzoek om ambtshalve vermindering behandeld omdat hij meende dat het verzoek moest worden afgewezen. Tegen die beslissing staat een rechtsmiddel open, waarvan belanghebbenden ook gebruik hebben gemaakt. In de daaropvolgende procedure kan de vraag of een beroep kan worden gedaan op art. 2.17(4) Wet IB 2001 aan de rechter worden voorgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanslag voor belanghebbende 2 per saldo hetzelfde blijft, zodat zij in zoverre geen belang heeft.
de derde vraag, over de dwangsommen, heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hetgeen belanghebbenden in hoger beroep hebben aangevoerd heeft het Hof geen reden gezien voor een ander oordeel.
de laatste vraag, over het griffierecht, heeft het Hof geoordeeld dat terecht viermaal griffierecht is geheven door de Rechtbank. Anders dan belanghebbenden menen betekent gezamenlijke behandeling van de zaken niet dat dan ook slechts één keer griffierecht is verschuldigd. [10] Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbenden bij de Rechtbank beroep hebben ingesteld tegen vier uitspraken op bezwaar die niet samenhangend zijn. Het Hof oordeelt voorts dat het in hoger beroep terecht tweemaal griffierecht heeft geheven, omdat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank ten name van twee belanghebbenden.
3.Het geding in cassatie
stricto sensu). Het gaat er dan om of het besluit onevenredig bezwarend uitpakt als gevolg van de onvoorziene of onbedoelde omstandigheid. Ook meent de Staatssecretaris dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2024 [15] een grotere terughoudendheid volgt dan het Hof in acht heeft genomen.
in concretosprake is van dergelijke gevolgen.
het eerste middeldat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan belanghebbenden geen dwangsom toekomt. Volgens belanghebbenden was voor het Hof niet in geschil dat de Inspecteur geen beschikking als bedoeld in art. 2.17(9) Wet IB 2001 heeft genomen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een beschikking als bedoeld in art. 2.17(9) Wet IB 2001 had moeten nemen. Op basis daarvan had het Hof volgens belanghebbenden moeten oordelen dat de Inspecteur de door belanghebbenden gevorderde dwangsommen is verschuldigd wegens het niet nemen van die beschikking.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geweigerd het onderzoek ter zitting te heropenen. Belanghebbenden stellen dat zij in een brief van 5 december 2023 het Hof hebben gevraagd om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak. Het Hof noemt deze brief niet in zijn uitspraak, terwijl deze brief via de voorziening voor digitaal procederen bij het Hof is ingediend en aan het digitale procesdossier is toegevoegd. [16] Het Hof had dit verzoek volgens belanghebbenden moeten aanmerken als een verzoek om heropening van het onderzoek, en vervolgens het onderzoek ook daadwerkelijk moeten heropenen. Belanghebbenden lichten toe dat het Hof op 5 december 2023 de termijn voor het doen van uitspraak inmiddels driemaal met zes weken had verlengd, terwijl de wet (art. 8:66 jo Pro. art. 8:108(1) Awb) slechts éénmaal verlenging van deze termijn toestaat, en wel met ten hoogste zes weken. Naar aanleiding van de vierde keer dat het Hof de termijn voor het doen van uitspraak verlengde [17] , hebben belanghebbenden telefonisch contact opgenomen met de griffie van het Hof. De medewerkster van het Hof gaf aan dat de (verdere) vertraging in de uitspraak was gelegen in ‘organisatorische redenen’. Naar aanleiding van dit telefoongesprek hebben belanghebbenden de brief van 29 januari 2024 verzonden. Deze brief is door het Hof – volgens belanghebbenden terecht – aangemerkt als een verzoek om heropening van het onderzoek. Het Hof heeft dit verzoek volgens belanghebbenden ten onrechte terzijde gelegd. Het Hof had het onderzoek ter zitting, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de reden van de overschrijding (‘organisatorische redenen’), moeten heropenen en belanghebbenden een immateriële schadevergoeding moeten toekennen.
derde middelvan belanghebbenden komt op tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot vraag 4 die speelde bij het Hof. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het te heffen griffierecht niet diende te worden beperkt tot het één keer heffen van griffierecht bij de Rechtbank en bij het Hof. Volgens belanghebbenden gaat het om samenhangende procedures, van meerdere indieners tegen hetzelfde besluit, als bedoeld in art. 8:41(3) Awb.
4.Beoordeling van principale beroep in cassatie
heeftvoorzien en willen aanvaarden. [19] Dat is niet geheel in lijn met het criterium dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) aanlegde in de uitspraak waarnaar het Hof in dit verband verwijst. [20] Volgens dat criterium gaat het er namelijk om wat de wetgever
kanhebben bedoeld of voorzien (zie 5.5 en 5.6 van de gemeenschappelijke bijlage). Verder merk ik op dat het Hof heeft geoordeeld dat hij het niet aannemelijk acht dat de wetgever een dergelijk gevolg heeft willen aanvaarden. [21] Daarmee lijkt het Hof deze kwestie in de bewijssfeer te trekken. Dat lijkt mij niet juist. De vraag naar wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien is mijns inziens niet een feitelijke vraag, die zich leent voor bewijsvoering, maar een juridische kwestie die door de rechter moet worden beoordeeld onafhankelijk van wat door partijen als argumenten of bewijsmiddelen is aangedragen.
5.Beoordeling van het incidenteel beroep in cassatie
eerste middelvan belanghebbenden komt op tegen het oordeel van het Hof dat aan hen geen dwangsom toekomt. Die dwangsom is volgens belanghebbenden verschuldigd omdat aan hen geen beschikking als bedoeld in art. 2.17(9) Wet IB 2001 is gegeven.
tweede middelvan belanghebbenden houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geweigerd het onderzoek ter zitting te heropenen, nadat belanghebbenden hadden verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak.
derde middelklaagt over het griffierecht geheven in beroep en in hoger beroep. Volgens belanghebbenden had het heffen van griffierecht beperkt moeten worden tot één keer bij de Rechtbank en één keer bij het Hof.