Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Bij uitspraken op bezwaar van 9 juni 2021 heeft de Inspecteur die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat op de gedane aangiften geen betaling is gevolgd.
Het Hof heeft dat standpunt van belanghebbende verworpen omdat naar zijn oordeel uit het arrest van 28 juni 2013 niet kan worden afgeleid dat voldoening van bpm geacht moet worden te hebben plaatsgevonden op het moment van het doen van aangifte. Naar het oordeel van het Hof strekt de betekenis van het arrest niet verder dan dat op de voet van artikel 20, lid 1, AWR naheffing van bpm die ter zake van de registratie van een personenauto op aangifte behoort te worden voldaan, kan plaatsvinden vóór de registratie van die personenauto in de gevallen waarin volgens de Wet (artikel 6, lid 2, letter a) een bedrag aan bpm voor de registratie van een voertuig wordt verschuldigd bij het doen van de aangifte, en het aangegeven bedrag gelijktijdig met het doen van de aangifte moet worden betaald.