ECLI:NL:HR:2026:914

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/03202
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j AWRArt. 26b AWRArt. 6:10 AwbArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 19 lid 1 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid voortijdig ingediend bezwaar tegen bpm-aangifte

Belanghebbende, een ondernemer die bpm betaalt over personenauto’s en motorrijwielen, diende bezwaarschriften in vóórdat de verschuldigde bpm-bedragen waren voldaan. De Inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat de betaling niet had plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn. Het Hof bevestigde dit oordeel en verwierp het standpunt van belanghebbende dat de betaling geacht moest worden te zijn verricht bij het doen van de aangifte.

De Hoge Raad overwoog dat het arrest van 28 juni 2013 niet van toepassing is op de ontvankelijkheid van bezwaren, maar slechts op de mogelijkheid van naheffing. Verder oordeelde de Hoge Raad dat de termijn voor het indienen van bezwaar pas begint na voldoening van het bedrag. Een bezwaarschrift dat vóór die voldoening is ingediend, is voortijdig en dus niet-ontvankelijk.

Belanghebbende stelde dat hierdoor haar toegang tot de rechter werd belemmerd in strijd met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maar de Hoge Raad verwierp dit omdat de bezwaren zonder voorwerp waren en niet gericht tegen een besluit met rechtsgevolgen.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de bezwaren worden terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens voortijdige indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03202
Datum12 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2024, nrs. BK-ARN 22/630 en BK-ARN 22/631 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 21/3286 en AWB 21/3287) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is een ondernemer die in het kader van haar bedrijfsuitoefening regelmatig om inschrijving in het kentekenregister verzoekt voor personenauto’s en motorrijwielen die op naam van een ander worden gesteld. Haar is op de voet van artikel 8 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) bij beschikking van de Inspecteur toestemming verleend om de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) – in afwijking van artikel 6, lid 2, letter a, onder 1°, van de Wet – per tijdvak te voldoen.
2.2
Belanghebbende heeft op respectievelijk 15 april 2021 en 19 mei 2021 aangifte gedaan van de bedragen aan bpm die zij over de tijdvakken maart 2021 en april 2021 verschuldigd is geworden. De volgens de aangiften verschuldigde bedragen aan bpm heeft belanghebbende niet voor het verstrijken van de in artikel 19, lid 1, AWR bedoelde termijn van één maand na het einde van elk van de hiervoor bedoelde tijdvakken, dat wil zeggen vóór 1 mei 2021 respectievelijk 1 juni 2021, aan de ontvanger betaald.
2.3
Op 17 mei 2021 en op 2 juni 2021 heeft belanghebbende bij de Inspecteur bezwaarschriften ingediend. Blijkens de aanhef ervan zijn deze gericht tegen de voldoening op aangifte van bpm over het tijdvak maart 2021 respectievelijk tegen de voldoening op aangifte van bpm over het tijdvak april 2021.
Bij uitspraken op bezwaar van 9 juni 2021 heeft de Inspecteur die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat op de gedane aangiften geen betaling is gevolgd.
2.4
De volgens belanghebbende verschuldigde bedragen aan bpm zijn alsnog voldaan op 22 juni 2021 respectievelijk 19 juli 2021.
2.5.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan dat oordeel heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd.
2.5.2
Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat uit rechtsoverweging 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:64 (hierna: het arrest van 28 juni 2013), volgt dat de voldoening van bpm op aangifte moet worden geacht te hebben plaatsgevonden op het moment van het doen van aangifte, ook al heeft de belanghebbende het volgens de aangifte verschuldigde bedrag niet daadwerkelijk bij het doen van de aangifte betaald, maar met toestemming van de belastingdienst op een later tijdstip. Dat brengt volgens belanghebbende mee dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat die bezwaren ontvankelijk zijn.
Het Hof heeft dat standpunt van belanghebbende verworpen omdat naar zijn oordeel uit het arrest van 28 juni 2013 niet kan worden afgeleid dat voldoening van bpm geacht moet worden te hebben plaatsgevonden op het moment van het doen van aangifte. Naar het oordeel van het Hof strekt de betekenis van het arrest niet verder dan dat op de voet van artikel 20, lid 1, AWR naheffing van bpm die ter zake van de registratie van een personenauto op aangifte behoort te worden voldaan, kan plaatsvinden vóór de registratie van die personenauto in de gevallen waarin volgens de Wet (artikel 6, lid 2, letter a) een bedrag aan bpm voor de registratie van een voertuig wordt verschuldigd bij het doen van de aangifte, en het aangegeven bedrag gelijktijdig met het doen van de aangifte moet worden betaald.
2.5.3
Voor zover belanghebbende een beroep op toepassing van artikel 6:10 Awb Pro wil doen, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat toestemming is verleend om de betaling van de volgens de aangiften verschuldigde bedragen aan bpm uit te stellen naar een later tijdstip dan is voorzien in artikel 19, lid 1, AWR. Gelet op de data waarop die bedragen zijn betaald (zie hiervoor in 2.4), staat vast dat ten tijde van het doen van de uitspraken op bezwaar geen voldoening heeft plaatsgevonden, zodat de vóór aanvang van de bezwaartermijn ingediende bezwaarschriften op dat moment zonder voorwerp waren. In zoverre kan het beroep van belanghebbende op artikel 6:10, lid 1, letters a en b, Awb volgens het Hof niet slagen.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.2.1
Voor zover middel I zich richt tegen het hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordeel van het Hof, faalt het. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat het in het arrest van 28 juni 2013 ging om het beoordelen van de vraag of naheffing op de voet van artikel 20, lid 1, AWR mogelijk is. Dat arrest heeft geen betekenis voor de beantwoording van de vraag of de door belanghebbende gemaakte bezwaren zien op besluiten waartegen de AWR, die een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent, bezwaar openstelt.
3.2.2
Middel I faalt eveneens voor zover het zich richt tegen het hiervoor in 2.5.3 weergegeven oordeel van het Hof. Op grond van artikel 22j, aanhef en letter b, AWR vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de voldoening. Een bezwaarschrift dat door de inspecteur wordt ontvangen vóór de voldoening van het volgens de aangifte verschuldigd geworden bedrag, is dus vóór de aanvang van de bezwaartermijn ingediend. [2] Artikel 6:10 Awb Pro, dat ingevolge artikel 26, lid 2, AWR van overeenkomstige toepassing is op belastingheffing bij wege van voldoening op aangifte, brengt mee dat niet-ontvankelijkverklaring wegens de voortijdige indiening van het bezwaarschrift achterwege moet blijven indien het bezwaarschrift is ingediend op of na het moment waarop de aangifte is ingediend of op of na het moment waarop de opdracht tot betaling van het bedrag waartegen bezwaar wordt gemaakt, is verstrekt. [3] Indien echter het bedrag waartegen bezwaar is gemaakt, vervolgens niet op de rekening van de ontvanger wordt bijgeschreven binnen de in artikel 19, lid 1, AWR voorgeschreven betalingstermijn, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van een voorwerp van het bezwaar. [4]
3.2.3
De hiervoor in 2.2 en 2.4 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende de beide bedragen waartegen zij voortijdig bezwaar had gemaakt, niet binnen de in artikel 19, lid 1, AWR voorgeschreven termijn heeft betaald. Dat brengt mee dat de beide bezwaren zonder voorwerp zijn. Anders dan middel I betoogt, hoefde de Inspecteur na het verstrijken van de betalingstermijn niet met het doen van de uitspraken op bezwaar te wachten totdat belanghebbende de bedragen zou gaan voldoen. Het oordeel van het Hof dat de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, is daarom juist.
3.3
Het betoog van middel I dat belanghebbende als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van haar bezwaren, in strijd met artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), de toegang tot de rechter wordt ontzegd, snijdt geen hout. Indien de conclusie is dat de bezwaren van belanghebbende zonder voorwerp zijn (zie hiervoor in 3.2.3), kunnen die bezwaren niet zijn gericht tegen enig besluit van de Inspecteur dat op grond van enige wetsbepaling voor belanghebbende (nadelige) rechtsgevolgen heeft. Een effectieve bescherming in rechte in de zin van artikel 47 van Pro het Handvest is dan niet aan de orde, laat staan een beperking ervan op grond van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Middel I in zoverre faalt.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375, rechtsoverweging 3.3.1.
3.Vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375, rechtsoverweging 3.3.2.
4.Vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375, rechtsoverweging 3.3.2.