Klaagster, griffier van het Constitutioneel Hof te Sint Maarten, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het onrechtmatig beheer van derdengeldenrekeningen. Dit ontslag volgde op een eerdere disciplinaire straf en strafrechtelijke veroordeling. Klaagster betwistte haar status als ambtenaar en de bevoegdheid van het Gerecht, maar het Gerecht oordeelde dat zij wel ambtenaar is en dat het bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar.
De procedure omvatte een bezwaarschrift tegen het ontslagbesluit van 11 juli 2021, waarbij het Gerecht oordeelde dat het ontslag terecht was gebaseerd op gedragingen vastgesteld door het Gemeenschappelijk Hof en het strafrechtelijk vonnis. Klaagster voerde aan dat het ontslag onvoldoende gemotiveerd was en dat het Constitutioneel Hof niet correct was gehoord, maar deze bezwaren werden verworpen.
Het Gerecht stelde vast dat het ontslagbesluit voldoende gemotiveerd was, dat het Constitutioneel Hof als bevoegde instantie was gehoord en dat er geen sprake was van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel door de termijn tussen de gedragingen en het ontslag. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en het ontslag bleef in stand.