Appellante was verantwoordelijk voor het financiële beheer van de derdengeldenrekeningen bij het Gemeenschappelijk Hof. Uit onderzoek bleek dat zij gedurende jaren contant geld uit deze rekeningen heeft geïnd zonder verifieerbare onderliggende documentatie, wat leidde tot verdenking van onregelmatigheden en plichtsverzuim.
Na interne en strafrechtelijke onderzoeken werd appellante geschorst, ontslagen en verplicht tot schadevergoeding. Het Hof bevestigde het ontslag op grond van ernstig plichtsverzuim, onder meer vanwege het ontbreken van bewijsstukken en ongeloofwaardige verklaringen van appellante.
Ten aanzien van de schadevergoeding vernietigde het Hof de verplichting tot vergoeding van een bedrag van USD 132.865,-, omdat niet aannemelijk was dat dit bedrag aan appellante was toe te rekenen. Voor het resterende bedrag van ruim USD 1 miljoen werd de schadevergoeding bevestigd. Tevens werd de inhouding op de bezoldiging van appellante geoorloofd verklaard.
Het Hof wees het beroep van appellante tegen de schorsings- en ontslagbeschikkingen af en vernietigde het beroep tegen de schade- en inhoudingsbeschikking gedeeltelijk. Daarnaast werd de Beheerraad veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellante.