ECLI:NL:OGEAA:2018:233

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
E.J. no. AUA201800604
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vermeende seksuele intimidatie

Grape Holding N.V. verzocht het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voorwaardelijk te ontbinden wegens vermeende seksuele intimidatie op de werkvloer. [verweerder] betwistte deze beschuldigingen en stelde dat het ontslag op staande voet onterecht was.

Tijdens de mondelinge behandeling op 9 april 2018 verschenen beide partijen met hun gemachtigden en werden nadere producties en pleitnota's uitgewisseld. Het Gerecht stelde vast dat bewijslevering in deze procedure niet aan de orde was en dat de stellingen van Grape onvoldoende aannemelijk waren gemaakt. De verklaringen van getuigen werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld, mede vanwege mogelijke belangenverstrengeling en tegenstrijdigheden.

Daarnaast oordeelde het Gerecht dat, zelfs indien sprake zou zijn van andere gedragingen dan seksuele intimidatie, deze niet als dringende reden voor ontslag konden gelden gezien het langdurige en vlekkeloze arbeidsverleden van [verweerder]. Een minder ingrijpende maatregel dan ontbinding zou passend zijn geweest. De conclusie was dat er geen grond was voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Het verzoek tot ontbinding werd afgewezen en Grape werd veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerder], vastgesteld op Afl. 2.500,-.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens vermeende seksuele intimidatie wordt afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en gebrek aan dringende reden.

Uitspraak

Beschikking van 24 april 2018
Behorend bij E.J. no. AUA201800604
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING in de zaak van:
de naamloze vennootschap
GRAPE HOLDING N.V.,
gevestigd in Aruba,
verzoekster,
hierna ook te noemen: Grape,
gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep,
tegen:
[verweerder],
wonende in Aruba,
verweerder,
hierna ook te noemen: [verweerder],
gemachtigde: de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-het verzoekschrift, met producties;
-het verweerschrift, met producties;
-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak.
1.2
Die behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 9 april 2018. Grape is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door [naam X] (hoofd personeelszaken bij Grape). [verweerder] is verschenen samen met zijn gemachtigde. Grape heeft gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om bij wijze van repliek te reageren op het verweerschrift, en dat mede aan de hand van een voorgedragen pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties. [verweerder] heeft daarop gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van dupliek te reageren op die reactie, en dat onder overlegging van een grotendeels niet voorgedragen pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties.
1.3
Beschikking is bepaald op heden.

2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1
Grape verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van de in het verzoekschrift omschreven gewichtige redenen indien en voorzover bij rechterlijk gewijsde komt vast te staan dat die overeenkomst nog steeds bestaat, zonder toekenning aan [verweerder] van een door Grape te betalen billijkheidsvergoeding, kosten rechtens.
2.2 [
verweerder] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het verzoek van Grape, en subsidiair (voor het geval het Gerecht tot ontbinding overgaat) tot toekenning aan [verweerder] van een door Grape te betalen billijkheidsvergoeding, kosten rechtens
2.3
Voorzover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3.DE BEOORDELING

3.1
Tussen partijen staat onder meer het volgende vast. De thans 61-jarige [verweerder] is vanaf 14 februari 1978 krachtens een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in loondienst werkzaam geweest voor Grape, laatstelijk in de functie van supervisor bij het restaurant Pelican Terrace tegen een bruto maandloon van Afl. 5.857,20. Bij brief van 16 februari 2018 heeft Grape [verweerder] op staande voet ontslagen wegens het plegen van seksuele intimidatie op de werkvloer van Grape. [verweerder] heeft bij brief van 22 februari 2018 de nietigheid van dat ontslag ingeroepen. Bij e-mail van 23 februari heeft Grape [verweerder] te kennen gegeven dat zij volhardt in het gegeven ontslag. [verweerder] heeft ter zake van dat ontslag inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij dit Gerecht.
3.2 [
verweerder] heeft de met de bij partijen genoegzaam bekende verklaringen onderbouwde stelling van Grape, dat [verweerder] zich ten opzichte van twee vrouwelijke ondergeschikten, schuldig heeft gemaakt aan (al dan niet fysieke) seksuele intimidatie, gemotiveerd bestreden. Die stelling komt daarom in deze op snelheid gerichte procedure - waarin voor bewijslevering geen plaats is - niet vast te staan. Het Gerecht ziet in het licht van dat verweer evenmin grond om die stelling aannemelijk te oordelen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
3.3
De verklaring van [getuige 1] oordeelt het Gerecht bij de huidige stand van zaken onvoldoende betrouwbaar. [getuige 1] is naar eigen zeggen door toedoen van [verweerder] onterecht ontslagen door Grape, in welk verband niet valt uit te sluiten dat zij daarom nog een appeltje te schillen heeft met [verweerder]. Het had voor de betrouwbaarheid van de door [getuige 1] na haar ontslag afgelegde verklaring op de weg van Grape gelegen om een verklaring in het geding te brengen van de door [getuige 1] genoemde [naam B], die volgens haar getuige is geweest van de beweerdelijke door [verweerder] gepleegde ongewenste intimiteiten. Het nalaten daarvan komt en blijft voor rekening en risico van Grape. De verklaring van [getuige 2] oordeelt het Gerecht onvoldoende betrouwbaar, omdat [getuige 2] de vraag van Grape, of [verweerder] haar ooit heeft gevraagd of zij met hem uit wilde gaan, ontkennend heeft beantwoord, terwijl [getuige 3] heeft verklaard (en daar heeft [verweerder] terecht op gewezen) dat [getuige 2] tegen hem heeft gezegd dat [verweerder] haar had gevraagd om met hem uit te gaan en dat [verweerder] dan sierraden aan haar zou schenken.
3.4
In het midden kan blijven of [verweerder] zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan andere dan seksuele intimidatie. Indien daarvan sprake zou zijn, is er het naar het oordeel van het Gerecht nog geen sprake van een dringende reden voor ontslag. Dit temeer omdat [verweerder] onbestreden heeft gesteld dat hij een langdurig (te weten een 40-jarig) vlekkeloos arbeidsverleden heeft bij Grape. Tegen die achtergrond had een gesprek met [verweerder] wellicht gepaard gaande met een ernstige al dan niet schriftelijke waarschuwing in zijn richting meer voor de hand gelegen dan de door Grape gekozen ultieme en meest ingrijpende maatregel. Ook ziet het Gerecht in dit verband geen andere grond voor ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsoverkomst.
3.5
De slotsom luidt dat het door Grape verzochte zal worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.
3.6
Grape zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 1.250,-- per punt).

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
-wijst af het door Grape verzochte;
-veroordeelt Grape in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 april 2018.