Belanghebbende voerde vijftien beveiligingscamera's in en betaalde invoerrechten. Na afgifte verzocht zij om restitutie van deze rechten, stellende dat de goederen bestemd waren voor een vrijgestelde overheidsinstantie. De Inspecteur wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar wel tijdig was ingediend en dus ontvankelijk was, waardoor het beroep gegrond werd verklaard. Inhoudelijk werd vastgesteld dat de goederen bij invoer waren bestemd voor een vennootschap zonder vrijstelling, en dat de vrijstelling niet kon worden toegepast omdat de goederen pas later bij de vrijgestelde instantie terechtkwamen.
De procedure was correct gevolgd, de invoerrechten terecht geheven en er was geen sprake van een verschoonbaar verzuim. Het beroep werd daarom afgewezen. Het Gerecht veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.