Uitspraak
1.DE VERDERE PROCEDURE
- de tussenbeschikking d.d. 23 januari 2018;
- de akte overlegging rapport d.d. 20 februari 2018;
- de akte ter uitlating d.d. 18 september 2018;
- de antwoordakte d.d. 11 december 2018.
2.DE VERDERE BEOORDELING
dieperiode geen dienstbetrekking tussen partijen bestond. Bij de beoordeling van die vraag kan hetgeen partijen hebben gesteld en is komen vast te staan over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking in de voorgaande periode, mede relevant zijn.
[getuige 1]is manager van de payroll bij CATC. Zij heeft verklaard dat CATC in de periode van 2004 tot en met 2010 de payroll heeft gedaan voor Celltar. Zij heeft onder meer als volgt verklaard:
[getuige 2]is directeur van M&D Administratie. Hij heeft onder meer als volgt verklaard:
[getuige 1]en
[getuige 3]zijn er, zo blijkt uit hun verklaringen, in de periode 2006 tot en met 2010 geen loonstroken opgemaakt voor [verzoeker] en stond [verzoeker] ook niet op de loonlijst van Celltar. Volgens
[getuige 1]kwam [verzoeker] in deze periode niet voor op de verzamelloonstaten van Celltar. Over de periode 2010 tot en met 2013 heeft de getuige
[getuige 2]verklaard dat er geen loonstroken ten behoeve van [verzoeker] zijn opgemaakt en dat [verzoeker] in die periode ook niet voorkwam op de verzamelloonstaten. Het gerecht acht de verklaringen van de getuigen, die in contra-enquête niet zijn ontzenuwd, geloofwaardig. Bovendien vinden die verklaringen steun in de verzamelloonstaten die over de periode 2006 tot en met 2012 ten behoeve van de belastingdienst zijn opgemaakt. Hierin wordt [verzoeker] niet vermeld als werknemer aan wie loon is uitbetaald.
[getuige 2], dat de twee loonstroken over oktober en november 2011 (en die door [verzoeker] bij verzoekschrift zijn overgelegd om zijn vordering te onderbouwen) in opdracht van [verzoeker] zelf als statutair-directeur in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Het gerecht acht ook dit onderdeel van de verklaring van getuige
[getuige 2]geloofwaardig.
[getuige 1],
[getuige 3]en
[getuige 2]hebben alle drie verklaard niet betrokken te zijn geweest bij het opstellen van de pensioenbrief. Andere bewijsmiddelen waaruit volgt dat partijen, althans Celltar, bij het opstellen van de pensioenbrief niet de daadwerkelijke intentie had(den) om pensioenrechten aan [verzoeker] toe te kennen, zijn niet bijgebracht. De conclusie is dan ook dat Celltar niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De vordering tot betaling van de pensioenuitkeringen uit hoofde van de pensioenbrief met ingang van 1 september 2012 zal hierna om die reden worden toegewezen. Voor zover de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW mede betrekking had op de pensioenuitkeringen, zal zij worden afgewezen. De uitkeringen die uit hoofde van de pensioenbrief moeten worden gedaan, kunnen niet worden beschouwd als loon in de zin van deze bepaling. Wel zal de gevorderde wettelijke rente met ingang van 1 september 2012 worden toegewezen.