Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2020:429

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
AUA202000448
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1615u BWArt. 7A:1615s lid 1 BWArt. 3:316 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wegens verjaring

De verzoeker was sinds 12 april 2005 in dienst bij Franmir N.V. en werd op 14 april 2019 ontslagen. Hij stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat het zonder vereiste toestemming van de Directie Arbeid en Onderzoek (DAO) was gegeven en onder een valse reden.

De verzoeker diende op 10 februari 2020 een vordering in tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Franmir voerde verweer dat de vordering was verjaard, omdat de zesmaandentermijn voor het instellen van een dergelijke vordering was verstreken zonder geldige stuiting.

Het gerecht oordeelde dat de verjaringstermijn begon te lopen op de dag van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, 14 april 2019, en uiterlijk op 14 oktober 2019 een stuitingshandeling had moeten plaatsvinden. De brief van 9 augustus 2019 betrof slechts de nietigverklaring van het ontslag en niet de kennelijke onredelijkheid, en er was geen andere stuitingshandeling verricht.

Daarom was de vordering op 14 oktober 2019 verjaard en werd deze afgewezen. De verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten van Afl. 2.500,- ten gunste van Franmir.

Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

Beschikking van 13 oktober 2020
Behorend bij E.J. nr. AUA202000448
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
VERZOEKER, hierna: [naam verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez,
tegen:
de naamloze vennootschap
FRANMIR N.V.,
te Aruba,
VERWEERSTER, hierna: Framir,
gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties, ingediend op 10 februari 2020;
  • het verweerschrift met producties, ingediend op 30 juni 2020;
  • de pleitnota’s van partijen;
  • de mondelinge behandeling op 1 september 2020.
1.2
Beschikking is bepaald op heden.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [
naam verzoeker] is op 12 april 2005 voor onbepaalde tijd in loondienst getreden van Franmir, laatstelijk in de functie van straatreiniger tegen een brutoloon van Afl. 1.711,15 per maand, exclusief vakantiedagen.
2.2
Bij brief van 7 december 2018 heeft Franmir de arbeidsovereenkomst met [naam verzoeker] opgezegd tegen 14 april 2019.
2.3
Op 8 januari 2019 heeft [naam verzoeker] voor advies naar de directeur van de Directie Arbeid en Onderzoek (hierna te noemen: de DAO) gegaan. De DAO heeft een beëindigings-voorstel opgemaakt en Franmir uitgenodigd voor een gesprek. Franmir is niet komen opdagen.
2.4
Bij brief van 9 augustus 2019 (verzoekschrift, prod. 3) heeft [naam verzoeker] Franmir aangegeven in het ontslag te zullen berusten indien aan hem wordt uitbetaald conform het beëindigingsvoorstel van de DAO het bedrag van Afl. 11.519,05 vermeerderd met een bedrag van ad Afl. 1.900,64 aan incassokosten.
2.5
Franmir heeft aan het verzoek van [naam verzoeker] geen gehoor gegeven.

3.DE VORDERING

3.1
Het verzoek strekt ertoe om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Franmir de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd, Franmir te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding naar billijkheid in verband met het kennelijk onredelijk ontslag ten bedrage van een door dit gerecht in goede justitie te bepalen vergoeding, waarbij rekening wordt gehouden met een vergoeding overeenkomstig de berekening van Directie Arbeid en Onderzoek, subsidiair iedere andere door het Gerecht in goede justitie te treffen voorziening, met veroordeling van Franmir in de proceskosten.
3.2 [
naam verzoeker] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Franmir de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, terwijl er geen sprake was van een daartoe vereiste toestemming van de DAO dan wel wederzijds goedvinden. [naam verzoeker], die inmiddels in het ontslag berust, stelt zich op het standpunt dat het ontslag kennelijk onredelijk is geschied omdat deze is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden.
3.3
Franmir voert verweer en verzoekt het Gerecht [naam verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van [naam verzoeker] in de proceskosten.
3.4
Franmir grondt het verweer erop dat de vordering is verjaard en dat het ontslag rechtsgeldig is verleend en niet kennelijk onredelijk is.

4.DE BEOORDELING

Verjaring
4.1
De vraag die thans allereerst dient te worden beantwoord is of de vordering van [naam verzoeker] verjaard is op grond van artikel 7A:1615u jo. 7A:1615s lid 1 BW.
4.2
Het Gerecht stelt voorop dat een vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag op grond van artikel 7A:1615u BW verjaart na verloop van zes maanden te rekenen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst. De verjaring van de vordering kan worden gestuit door het instellen van een eis of door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 lid 1 BW Pro) dan wel door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro).
4.3
In de onderhavige zaak staat vast dat de arbeidsovereenkomst van [naam verzoeker] op 14 april 2019 is beëindigd. Dit betekent naar het oordeel van het Gerecht dat de verjaringstermijn van zes maanden op 14 april 2019 is aangevangen. Dat betekent dat [naam verzoeker] voor een tijdige stuiting van de verjaringstermijn uiterlijk 14 oktober 2019 een geldige stuitingshandeling moet hebben verricht.
4.4
Het verzoekschrift waarmee deze procedure is aangevangen, is op 10 februari 2020 ter griffie ingediend. Gelet op de data van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de indiening van het verzoekschrift, heeft er door het indienen van het verzoekschrift geen tijdige stuiting plaatsgevonden.
4.5
Volgens [naam verzoeker] heeft hij door de door hem aan Franmir verzonden brief d.d. 9 augustus 2019 de verjaring tijdig gestuit. De overgelegde brief ziet echter slechts op de nietigverklaring van het ontslag en niet op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals Franmir terecht heeft gesteld. Gesteld noch is gebleken dat [naam verzoeker] vóór 14 oktober 2019 een andere rechtshandeling heeft verricht die de verjaring van zijn vorderingsrecht heeft doen stuiten. Dat brengt met zich dat vast komt te staan dat [naam verzoeker] in de periode van april 2019 tot 10 februari 2020 geen stuitingshandeling heeft verricht. Uit één en ander volgt dat de onderhavige rechtsvordering ingevolge het bepaalde in 7A:1615u BW op 14 oktober 2019 is verjaard.
4.5
Het bovenstaande brengt mee dat het verjaringsverweer van Franmir slaagt. Aan de overige argumenten van [naam verzoeker] komt het Gerecht niet toe. De vorderingen worden afgewezen.
4.6 [
naam verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden begroot op Afl. 2.500,- (2 punten Tarief 5) aan salaris van de gemachtigde.

5.DE BESLISSING

Het Gerecht:
5.1
wijst de vorderingen af;
5.2
veroordeelt [naam verzoeker] in de kosten van deze procedure die aan de zijde van Franmir worden begroot op Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde.
Deze beschikking is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en uitgesproken op dinsdag 13 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.