Verzoekster was sinds augustus 2020 in dienst bij Arufreight op basis van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden, die daarna werd voortgezet. Op 30 april 2021 vond een gesprek plaats waarin volgens Arufreight overeenstemming werd bereikt over beëindiging van het dienstverband per 31 mei 2021. Verzoekster ontkende deze instemming.
Het Gerecht oordeelde dat uit gedragingen en correspondentie, waaronder het opnemen van vakantiedagen en verzoeken om referentie, blijkt dat verzoekster wel degelijk met beëindiging heeft ingestemd. Ook haar latere terugkeer op het werk en beroep op nietigheid van ontslag veranderde dit oordeel niet.
De vorderingen van verzoekster tot vernietiging van het ontslag en herplaatsing werden afgewezen. Arufreight hoefde het dienstverband niet te herstellen. Verzoekster kreeg toestemming om kosteloos te procederen, maar werd veroordeeld in de proceskosten.