ECLI:NL:OGEAA:2026:185

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
AUA202500259
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, lid 3 Lv BBOArt. 1, lid 5 Lv BBOArt. 22a, lid 2 ALBArt. 15, lid 1 LBBArt. 18, lid 4 LBB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht verklaart beroep gegrond tegen naheffingsaanslagen BBO en BAZV wegens gerechtvaardigd vertrouwen in beleidsbrief minister

Belanghebbende, exploitant van horecaondernemingen, kreeg naheffingsaanslagen opgelegd voor BBO en BAZV over augustus 2023, omdat de Inspecteur de aftrek van bij invoer betaalde belastingen betwistte. Belanghebbende had de betaalde BBO en BAZV als voorbelasting in aftrek gebracht, stellende dat de ingevoerde eet- en drinkwaren handelsgoederen waren.

Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan een brief van de minister van Financiën en Cultuur van 4 juli 2023, waarin een ruimere uitleg van het begrip handelsgoederen werd gegeven dan in de later gepubliceerde Ministeriële Regeling. Het Gerecht oordeelde dat deze brief een beleidsregel vormde waarop belanghebbende mocht vertrouwen.

De Ministeriële Regeling, die later werd gepubliceerd en terugwerkende kracht had, beperkte het aftrekrecht, maar het Gerecht vond dat deze beperking niet met terugwerkende kracht ten nadele van belanghebbende kon worden toegepast vanwege het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Daarom werden de naheffingsaanslagen vernietigd. Tevens werd belanghebbende in de proceskosten van bezwaar en beroep en het griffierecht van de Inspecteur vergoed. Het Gerecht benadrukte dat het materiële geschil over de definitie van handelsgoederen daarmee niet definitief is beslecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen BBO en BAZV over augustus 2023 worden vernietigd wegens gerechtvaardigd vertrouwen in de beleidsbrief van de minister.

Uitspraak

Uitspraak van 24 juli 2026
BBZ nr. AUA202500259
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]., gevestigd te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 9 november 2023 een naheffingsaanslag Belasting over bedrijfsomzetten (BBO) en Belasting additionele voorzieningen projecten (BAVP) over de maand augustus 2023 opgelegd van Afl. 17.814, alsmede, eveneens over de maand augustus 2023, een naheffingsaanslag Bestemmingsheffing AZV van Afl. 13.361, totaal Afl. 31.175 (hierna de naheffingsaanslagen).
1.2
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt.
1.3
Op 19 november 2024 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en heeft hij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende heeft op 13 januari 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Op 27 februari 2025 is het pro forma beroep aangevuld.
1.5
De Inspecteur heeft op 4 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
1.6
Op 25 juli 2025 heeft belanghebbende op het verweerschrift van de Inspecteur gereageerd.
1.7
Partijen zijn op 6 oktober 2025 uitgenodigd voor de zitting van 13 november 2025.
1.8
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025 te Oranjestad. Namens belanghebbende is verschenen [A], alsmede haar gemachtigde in de personen van mr. [B], [C] LL.M en [D]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [E].
1.9
Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de wederpartij en het Gerecht.
1.1
Op 19 november 2025 heeft een descente bij belanghebbende plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig, namens belanghebbende, [A] (financieel directeur), alsmede haar gemachtigde in de personen van mr. [B] en [D]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [E], mr. [F] en [G].
1.11
Belanghebbende heeft op 26 november 2025 een schriftelijke reactie gegeven met betrekking tot de descente. Op deze schriftelijke reactie heeft de Inspecteur op zijn beurt op 2 december 2025 gereageerd.
1.12.
Op 4 december 2025 is het onderzoek gesloten en is een uitspraak aangekondigd.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende exploiteert [X] ([X]), [Y] ([Y]) en [Z] ([Z]). De directie wordt gevoerd door de heer [A].
2.2
Belanghebbende heeft over de maand augustus 2023 goederen ingevoerd en ter zake daarvan BBO (Afl. 17.814) en BAZV (Afl. 13.316) bij invoer betaald. De goederen hebben betrekking op eetwaren en dranken en zijn bestemd om te worden gebruikt voor de restaurants van belanghebbende ter bereiding van maaltijden en het verstrekken van dranken aan haar hotelgasten.
2.3
Belanghebbende heeft de onder 2.2 vermelde bij invoer betaalde BBO en BAZV als aftrek voorbelasting verrekend met de BBO en BAZV die door belanghebbende over haar omzet verschuldigd was en heeft het verschil voldaan.
2.4
Op 28 september 2023 is bij belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd met als doel om de aanvaardbaarheid van de aangifte BBO/BAZV over de maand augustus 2023 te onderzoeken, en in het bijzonder de beoordeling van de als aftrek voorbelasting in aanmerking genomen BBO en BAZV. Het boekenonderzoek heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2023.
2.5
In het controlerapport van 4 oktober 2025 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen [1] :
2.1
VERANTWOORDE AFTREK
Belastingplichtige heeft in de maand augustus 2023 goederen ingevoerd en heeft derhalve ook BBO en BAZV bij invoer betaald. Belastingplichtige heeft in haar aangifte BBO/BAZV over de maand augustus 2023 aftrek geclaimd. De betaalde BBO en BAZV en het geclaimde aftrek is in de onderstaande schema weergegeven.
Aangifte BBO/BAZV
Betaald
Aftrek
BBO
40.326,39
17.814,00
BAZV
30.247,23
13.316,00
Totaal
70.573,62
31.175,00
Aan belastingplichtige is gevraagd hoe het aftrekbedrag is bepaald. Desgevraagd verklaarde belastingplichtige dat hij de hele lading/container wat betreft voedsel minus cups (tumblers) heeft afgetrokken. De heer [A] is van mening van deze goederen verwerkt worden en zijn dus aftrekbaar.
2.2
INZAGE IN INVOERDOCUMENTATIE
Na inzage in de douane documentatie ga ik niet akkoord met de aangegeven aftrek.
De reden is dat een gedeelte van/ of het gehele invoer bestaat uit goederen die niet als handelsgoederen kunnen worden bestempeld. De goederen zijn niet voor wederverkoop bestemd.
Een hotel is een dienstverlenende onderneming en biedt in dit geval een all-inclusive pakket aan. Gasten boeken een all-inclusive pakket welke de hotel kamer, eten en drinken en andere voorzieningen bevat. Eten en drinken worden niet apart verkocht en/ of betaald. Gasten moeten een all inclusive pakket kopen om hiervan te genieten.
De heer [A] heeft uitgelegd dat er verschillende restaurants zijn in welke geen bediening wordt aangeboden. Gasten bestellen hun eten en gaan zelf met hun borden aan tafel zitten dus de bediening hiervan gebeurt niet. Er worden geen wegwerp bestek en servetten gebruikt omdat ze rekening houden met het milieu.
De heer [B] voegt toe dat er in dit geval geen dienst wordt verricht.
S’avonds zijn er ook een paar restaurants open bij welke eten en drinken al la carte bestelt kunnen worden. Deze restaurants vallen ook binnen het pakket van all-inclusive maar worden wel bediend.
Hoofdprestatie van deze onderneming blijft het aanbieden van een dienst.
De correctie wordt als volgt bepaald:
Correcties van augustus 2023
BBO
BAZV
Correcties
17.814,00
13.316,00
Totaal
17.814,00
13.316,00
3 Totaal Na te heffen BBO/BAZV
3.1
NAHEFFINGEN
Samenvattend, worden de totale na te heffen BBO en BAZV in de onderstaande tabellen gepresenteerd:
BBO
Aug’23
Par. 2.2
17.814,00
Totaal naheffing BBO
17.814,00
BAZV
Aug’23
Par. 2.2
13.316,00
Totaal naheffing BAZV
13.316,00
3.2
AFSPRAKEN
Met de directeur de heer [A] en adviseur, [B] zijn de volgende afspraken gemaakt:
- Belastingplichtige stuurt schriftelijk een e-mail om duidelijk uit te leggen hoe het dienst plaatsvindt in de restaurant waarin geen bediening plaatsvind. Deze uitleg/ standpunt zal met een specialist besproken worden.
2.6
De Inspecteur heeft op 9 november 2023 naheffingsaanslagen BBO van Afl. 17.814 en BAZV van Afl 13.316 opgelegd en derhalve de aftrek van voorbelasting geweigerd.
2.7
Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft op 24 oktober 2024 een hoorgesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur. Dit gesprek heeft er niet toe geleid dat de Inspecteur de naheffingsaanslagen heeft vernietigd of verminderd.
2.8
Kort na de behandeling ter zitting heeft een descente bij belanghebbende plaatsgevonden, waarbij de rechter de diverse restaurants, eetgelegenheden en gelegenheden waar drank kan worden afgehaald, heeft bezocht.

3.GESCHIL

3.1
In geschil zijn de volgende vragen:
I. kan belanghebbende aan de brief van de Minister van Financiën en Cultuur van 4 juli 2023 het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zij de bij invoer betaalde BBO/BAZV en BAZV, voor zover betrekking hebbende op eetwaren en dranken, voor wat betreft het tijdvak augustus 2023, in aftrek kon brengen?
Indien vraag I ontkennend dient te worden beantwoord:
II. heeft belanghebbende handelsgoederen ingevoerd en heeft zij op grond van artikel 10, lid 3 van de Landsverordening belasting over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projection (hierna: Lv BBO) recht op recht op aftrek van de ter zake van die invoer betaalde BBO/BAVP en BAZV tot bedragen van respectievelijk Afl. 17.814 en Afl. 13.316?
3.2
Belanghebbende beantwoordt vraag I bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.3
Indien wordt toegekomen aan vraag II, neemt belanghebbende het standpunt in dat de door haar ingevoerde eetwaren en dranken handelsgoederen zijn, omdat deze bestemd zijn om bedrijfsmatige te worden doorverkocht en waarbij de levering nagenoeg uitsluitend de overhand heeft en niet ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst. De Inspecteur daarentegen meent dat geen sprake is van handelsgoederen, omdat, gegeven het type onderneming dat belanghebbende drijft, te weten de exploitatie van een all inclusive hotel, de ingevoerde goederen ondergeschikt zijn aan de door belanghebbende verrichte dienst(en) en derhalve niet als handelsgoederen in de zin van de Lv BBO kunnen worden beschouwd.

4.BEOORDELING VAN HET BEROEP

Vraag I: is sprake van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen?

4.1
Met ingang van 1 augustus 2023 kent Aruba een zogeheten ‘BBO aan de grens’. Onder BBO(/BAVP) wordt mede begrepen BAZV. Deze regeling is onderdeel van het (ontwerp) Belastingplan 2023 – Deel II, dat in het voorjaar van het jaar 2023 is ingediend.
Op 10 mei 2023 heeft de Raad van Advies een (kritisch) advies uitgebracht, waarna door de Statenfracties (spoed)overleg is verzocht met ondernemersorganisaties.
Daarop heeft een openbaar overleg plaatsgevonden tussen de Statenfracties met ondernemersorganisaties op 22 juni 2023. Dit heeft geleid tot vragen van de Statenfracties, waarop op 30 juni 2023 door de regering schriftelijk is gereageerd.
Op 4 juli 2023 is door twee ondernemingsorganisaties, Aruba Food & Beverage Association (AFBA) en Aruba Hotel & Tourism Association (AHATA) een (brand)brief geschreven aan de Ministers van Economische Zaken, Communicatie en Ontwikkeling (G. Wever), van Toerisme en Gezondheidszorg (D. Oduber) en Financiën en Cultuur (X. Maduro), welke brief, eveneens op 4 juli 2023, door Minister X. Maduro is beantwoord.
Ook op 4 juli 2023 is het wetsvoorstel middels nota’s van wijziging aangepast.
Op 7 juli 2023 is de Landsverordening Belastingplan 2023 – Deel II door de Staten aanvaard, waarna op 11 juli 2023 publicatie in het Afkondigingsblad, als AB 2023, no. 25, heeft plaatsgevonden met als datum inwerkingtreding 1 augustus 2023.
Op 13 september 2023 is de regeling Handelsgoederen, AB 2023, no. 39, gepubliceerd, welke, met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2023, is ingevoerd.
4.2
De brief van de Minister van 4 juli 2023, waaraan belanghebbende vertrouwen meent te kunnen ontlenen, is derhalve geschreven midden in de periode van het wetgevend proces. In die brief (zie hierna, onder 4.4) refereert de Minister reeds aan een nog op te stellen Ministeriële Regeling (de regeling Handelsgoederen). Laatstgenoemde regeling is echter pas na publicatie van de Landsverordening Belastingplan 2023 – Deel II in het Afkondigingsblad en na de inwerkingtreding op 1 augustus 2023 daarvan, gepubliceerd.
4.3
In de brief van 4 juli 2023 van AFBA/AHATA is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
In follow up to our public meeting with Parliament on June 22nd, we wish to reiterate the following about this new law, for urgent consideration:
 The current law text limits the offset of the 7% turnover taxes paid and import against the BBO collected from customers to trade goods (“handelsgoederen”) only. The law has no clear definition of trade goods and limited examples in the Explanatory Notes, which will create a lot of discussion about what is considered trade goods and what isn’t. It is also difficult to administer and difficult to audit by the tax department.
 The Explanatory Notes (“Memorie van Toelichting”) specifically excludes restaurants and hotels from eligibility for offset, although in the Government press conferences on June 22nd it was mentioned that the restrictions for restaurants would be lifted. No further guidance or legislative substantiation has been submitted.
 All companies and stores, even the ones solely selling “handelsgoederen”, import items that are not for resale. Examples: forklifts for warehouses, equipment, supplies, products required by franchise agreements, items not available on island, etc.
 The limitation of trade goods has a direct effect on cost for all businesses and consequently on consumer prices.
(…)
 Specifically listing restaurants and hotels from the offset is discriminatory and simultaneously creates immense increases in Cost of Doing Businesses, which results in higher cost of dining for locals and tourists.
 Aruba is considered an expensive tourism destination, and this measure will make restaurants (and other businesses) even more expensive, increasing risk for the industry.
 If a supermarket is allowed to transform their imported chicken into chicken salad and be allowed to offset the BBO (as per Government press conference on June 29th), then restaurants should also be allowed to cook the chicken and be eligible for the offset. Equal treatment in law is of essence.
(…)
We urge you to consider elimination of the term “trade goods” (handelsgoederen) from the law and to eliminate the exclusion for hotels and restaurants from the Explanatory Notes, to avoid immense price increases in Aruba.
4.4
Op 4 juli 2023 heeft de Minister van Financiën en Cultuur, X. Maduro, gereageerd op de brief van AFBA/AHATA van (eveneens) 4 juli 2023. De Minister schrijft, voor zover hier van belang:
(…) Your input is valuable and I would like to address each of the issues you have brought up accordingly.
Definition and administration of “trade goods”
I can appreciate your comment regarding the fact that the definition of trade goods (“handelsgoederen”) in the current draft needs further clarification to prevent potential confusion and difficulties in administration and auditing. The Government of Aruba recognizes the importance of providing clarity on what constitutes trade goods. Therefore, as mentioned during our press conference of June 29th we will incorporate a comprehensive definition of trade goods in a Ministerial Decree, ensuring that it facilitates ease of administration and enhances transparency for the private and public sector.
After evaluating the feed back received from the private sector and professional associations regarding the discussion on ‘trade goods’, we can inform the associations that the interpretation of “trade goods” encompasses
allproducts imported with the intention of being sold. This is to maintain simplicity in the execution of the BBO legislation at the border while also preserving the right to deduction.
(…)
For supermarkets, the following will apply:
1. The BBO paid at the border for cheese roles, including the portion of the cheese role that has been cut into slices, whether cut individually or in blocks, with or without spices, is deductible from the sales volume.
2. The BBO paid at the border for chicken breast, the portion of chicken breast used for ground chicken, rotisserie chicken, chicken cut into small pieces (such as chicken cutlets), as well as seasoned chicken such as shoarma chicken, Spanish chicken, and chicken salad, is deductible from the merchant’s sales volume.
3. The BBO paid at the border for tuna cans, as well as the tuna salad prepared in the supermarket is deductible.
4. The BBO paid at the border for oranges, as well as for orange juice, is deductible from the sales volume.
For retail stores, the following will apply:
1. The BBO paid at the border by clothing stores, shoe stores, retailers of school supplies, books, bags, pens, pencils, etc. is deductible from the sales volume.
2. Upon importing a bicycle in parts (e.g., chain saddle, and frame), import duties and BBO are paid at the border. The bicycle is assembled in the store and then sold.
The BBO paid at the border on the bicycle parts is 100% deductible from the revenue of the bicycle shop upon sale. The same applies to the kitchen store.
For hardware stores, the following will apply:
1. The BBO paid at the border by hardware stores is deductible for all products they sell.
For the Food and Beverage sector, it will be regulated through a Ministerial Decree granting them also a deduction right. So, if a restaurant or franchise imports its products such as tortillas, ground beef, and cheese, and sells them in the form of a meal of taco, they pay BBO at the border and can then deduct this from the sales volume.
Inclusion of restaurants
We acknowledge the need for fairness and equal treatment under the law and have therefore considered the restriction and will provide clear guidance that allows restaurants to offset BBO. This adjustment aims to mitigate any adverse impacts on the cost of doing business and ultimately benefit both the industry and consumers. By eliminating the limitation for restaurants, a direct effect on the costs of business is subsequently being eliminated, mitigating any price increase for consumers. Our aim is to strike a balance that supports businesses while ensuring affordability for consumers minimizing any potential negative impact on business costs and consumer prices.
4.5
Zoals hiervoor is opgemerkt is de brief van de Minister van 4 juli 2023 geschreven midden in de periode van het wetgevend proces. Op dat moment was de stand van zaken met betrekking tot de wetgeving als volgt.
4.5.1
Aan de Staten is ter goedkeuring de Landsverordening Belastingplan 2023 – Deel II aangeboden (precieze datum niet bekend) alwaar wordt voorgesteld een belasting over de invoer van goederen in te voeren. Daarnaast wordt voorgesteld een aftrekrecht in te voeren voor de bij invoer van handelsgoederen door ondernemers betaalde BBO. Met betrekking tot de onderhavige zaak zijn de volgende ontwerpbepalingen [2] van belang:
Artikel 1
1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
handelsgoederen: goederen die zijn bestemd voor de wederverkoop;
(…)
5. Bij regeling van de Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van de definitie van het begrip handelsgoederen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1a
1. Er wordt een belasting geheven ter zake van invoer van goederen door ondernemers. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de invoer geschiedt.
2. (…).
3. De krachtens het eerste lid betaalde belasting komt in aanmerking voor aftrek overeenkomstig artikel 10, derde tot en met vijfde lid.
Artikel 10
1. De in een tijdvak verschuldigde belasting wordt op aangifte voldaan.
2. Het tijdvak is een kalendermaand.
3. Op de belasting die de ondernemer verschuldigd is ingevolge het eerste lid, kan in aftrek worden gebracht de door de ondernemer ter zake van de invoer van handelsgoederen in het tijdvak van aangifte betaalde belasting.
(…)
Genoemde bepalingen zijn in de loop van het wetgevingstraject niet gewijzigd of aangepast en hebben op 1 augustus 2023 kracht van wet gekregen. [3]
4.5.2
In de Memorie van Toelichting (precieze datum niet bekend) is voor zover voor deze zaak van belang het volgende vermeld:
(…)
Koers richting hybride BTW-systeem
Gelet op het voorgaande acht de regering het wenselijk om zowel BBO, BAVP en BAZV te gaan heffen bij invoer van goederen. Deze heffingen zullen samengaan met een aftrekrecht van voorbelasting voor ondernemers ter zake van de BBO/BVAP en BAZV geheven bij de invoer van handelsgoederen (en niet van diensten). De heffing van BBO/BAVP en BAZV bij invoer zal derhalve voor bepaalde ondernemers uiteindelijk niet tot extra kosten leiden, doch slechts tot een vooruitbetaling ten opzichte van de huidige situatie waarin de heffing van BBO/BAVP en BAZV in wezen ‘achteraf’ plaatsvindt (dat wil zeggen bij de wederverkoop van goederen).
(…)
Tijdstip van aftrek
Een onderneming zoals een groothandelaar, hotel, importeur, kledingzaak of supermarkt die goederen invoert zal voortaan naast de verschuldigde invoerrechten (en accijnzen) tevens BBO, BAVP en BAZV verschuldigd zijn, die geheven worden over de douanewaarde. Bij de invoer van handelsgoederen kunnen zij die BBO/BAVP en BAZV voor zover mogelijk, in mindering brengen over de BBO/BAVP en BAZV die zij maandelijks verschuldigd zijn. (…)
Handelsgoederen zijn goederen bestemd voor de wederverkoop. Met wederverkoop wordt bedoeld het doorverkopen van ingevoerde goederen zonder enige bewerking, zoals dit met name door importeurs en winkeliers wordt gedaan. Daarentegen is er geen sprake van handelsgoederen bijvoorbeeld bij de invoer van goederen door hotels en restaurants.
(…)
Artikelsgewijze toelichting
Met onderdeel C wordt ten eerste een technische wijziging aangebracht in het eerste lid van artikel 1 en Pro een tweetal definitiebepalingen opgenomen en voegt het tweede lid een vijfde lid toe in artikel 1. De eerste nieuwe definitiebepaling betreft de introductie van het begrip “handelsgoederen”, dat zijn goederen bestemd voor de wederverkoop. Met wederverkoop wordt bedoeld het doorverkopen van de ingevoerde goederen zonder verdere bewerking, zoals met name groothandelaren en winkeliers doen. Een kapsalon bijvoorbeeld die haarproducten zelf importeert, gebruikt deze producten in het kader van de haarverzorging van klanten. Hieronder valt onder andere het wassen, knippen en verven van het haar dat te kwalificeren is als een dienstverlening. Het verkopen van aan de kapsalon verwante producten zoals een hoog geconcentreerde kappershampoo voor thuisgebruik door de klant, kan als een ondergeschikte activiteit worden gekwalificeerd van een kapsalon en valt onder de verkoop van goederen waarvoor een recht op aftrek kan worden geclaimd. Ondernemers kunnen de betaalde BBO/BAVP en BAZV aan de grens op ingekochte handelsgoederen crediteren met de verschuldigde BBO/BAVP en BAZV die de ondernemers maandelijks verschuldigd zijn over hun omzet, door aangifte te doen in het BO impuesto portaal van de belastingdienst. Derhalve wordt om redenen van praktische aard de belasting(en) en bestemmingsheffing niet per transactie maar over maandelijkse tijdvakken geheven waarbij de betaalde BBO/BAVP en BAZV bij de grens reeds vooringevuld staat vermeld in de aangifte.
(…)
4.5.3
In zijn advies van 10 mei 2023 spreekt de Raad van Advies de verwachting uit dat het begrip ‘handelsgoederen’ in de praktijk tot discussie zal leiden en de wet en regelgeving zal compliceren. Zij merken in dat verband op:
1.9
Daarnaast zijn er talloze voorbeelden te noemen waarin het begrip handelsgoed tot discussie zal leiden. In de toelichting wordt opgemerkt dat ook hotels en restaurants in bepaalde gevallen recht hebben op aftrek van BBO/BAVP en BAZV. In welke gevallen dat is wordt niet verder toegelicht en is dan ook niet geheel duidelijk:
 Een supermarkt bewerkt fruit en groeten tot gesneden en gewassen fruit en groente. Naar de Raad aanneemt is hier aftrek toegestaan aangezien het een bewerking betreft en het resultaat wederom een handelsgoed is.
 Een supermarkt of restaurant verwerkt voedingsmiddelen tot een kant en klare maaltijd zonder bediening, die door de klant wordt afgehaald. De Raad gaat ervan uit dat hier ook vooraftrek wordt toegestaan. Ook in dit geval kan geredeneerd worden dat het handelsgoederen betreft die een bepaalde bewerking tot een nieuw handelsgoed hebben ondergaan.
 De supermarkt of restaurant geeft gelegenheid tot het aldaar nuttigen van die maaltijd aan tafels met gebruikmaking van de borden en bestek. Onduidelijk is of er dan nog steeds sprake is van een handelsgoed of dat er dan sprake is van dienstverlening, dan wel van een gemengde prestatie die leidt tot een gedeeltelijke aftrek van BBO/BAVP en BAZV, waarvan de uitwerking in de praktijk niet eenvoudig zal blijken.
 Hetzelfde voorbeeld als hiervoor, maar nu met volledige bediening. Wordt de maaltijd zelf dan nog als handelsgoed beschouwd? En welke onderdelen vallen dan nog onder de aftrek? Geldt de aftrek dan nog enkel voor het vlees, en bijvoorbeeld niet voor de specerijen die bij de bereiding zijn gebruikt? Hoe vindt de toerekening plaats aan de verschillende bestanddelen van de maaltijd?
 Een gelegenheid verkoopt drank in ongeopende verpakking, Voor de supermarkt zou dan sprake zijn van een handelsgoed, maar maakt het verschil of het flesje bier bij de bar wordt afgehaald, of bij de tafel wordt gebracht? Valt het flesje bier in het eerste geval wel aan te merken als een handelsgoed en in het tweede geval niet meer, omdat dan geredeneerd kan worden dat sprake is van (al dan niet gedeeltelijke) dienstverlening? En als het flesje geopend wordt? Is dan sprake van dienstverlening of kan gesproken worden van doorlevering van een handelsgoed, nadat het een bepaalde bewerking heeft ondergaan?
(…)
In de praktijk zal het begrip handelsgoed dus veel vragen oproepen en zeker niet leiden tot vereenvoudiging van het belastingstelsel. De definitie van het begrip handelsgoed, zoals in het ontwerp wordt voorgesteld, kan leiden tot afbakeningsproblemen en ontgaansmogelijkheden. Het werkt ontwijkingsgedrag van ondernemers in de hand en zal tot veel discussie met de belastingdienst leiden. Het valt immers te verwachten dat belastingplichtigen zullen trachten om goederen onder de definitie van handelsgoederen te brengen. Dit roept tevens de vraag op of de belastingdienst voldoende capaciteit heeft om de aangiften BBO/BAVP en BAZV op juistheid te controleren.
4.5.4
In het Nader Rapport van 26 mei 2023 reageert de Regering, voor zover hier van belang, als volgt op hetgeen de Raad van Advies in 1.9 heeft opgemerkt:
(…) Vanwege het hanteren van een gewijzigde begripsbepaling voor wat betreft handelsgoederen, valt dit onderdeel dan ook weg. Juist de gemengde prestaties leiden tot de nodige uitvoeringsproblemen bij een brede interpretatie van het begrip handelsgoederen, waardoor omwille van de eenvoud in de uitvoering (zowel voor ondernemers als voor de belastingdienst) toch ervoor gekozen om een enge interpretatie te behouden. Dit vooral om afbakeningsproblemen en vermijdingsmogelijkheden in de praktijk te voorkomen. Om ontwijkingsgedrag van ondernemers te voorkomen, is besloten om de definitie van handelsgoederen voorlopig te beperken tot goederen die bestemd zijn voor de wederverkoop. Het ontwerp en de memorie van toelichting zijn met het oog hierop aangepast. [4]
(…)
Voor wat betreft nadere regels en voorwaarden ter zake van het in aftrek brengen van de BBO/BAVP en BAZV betaald bij de invoer van handelsgoederen, zal er ministeriële regeling ter uitvoering van artikel 1, vijfde lid, Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten juncto artikel 1, vijfde lid, van de Landsverordening bestemmingsheffing AZV, die nadat het onderhavige ontwerp door de Staten is aangenomen, zal worden vastgesteld.
4.5.5
In de Nota naar aanleiding van het verslag van 30 juni 2023 beantwoordt de Regering vragen de Statenfracties. Met betrekking tot de onderhavige zaak zijn de volgende vragen en antwoorden van belang:
MEP-fractie
6. Minister tin hopi pregunta tocante e definicion exacto kico ‘handelsgoederen’ ta den e ley. Parce cu en ta bon defini y esaki ta cuasando hopi stress y frustracion den e gremionan pero tambe na DIMP. Esaki ta berdad? Y si ta berdad, kico lo haci pa trece claridad y transparencia total den e situacion aki?
Om ontwijkend gedrag van ondernemers te voorkomen, is besloten om de definitie van handelsgoederen te beperken tot goederen die bestemd zijn voor wederverkoop. Voorts zal er tot nadere uitwerking van het begrip handelsgoederen een ministeriële regeling ter uitvoering van artikel 1, vijfde lid, van de Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten, juncto artikel 1, vijfde lid, van de Landsverordening bestemmingsheffing AZV worden opgesteld.
10. Minister, asociacion di restaurantnan no kier ni mira BBO na frontera ya cu nan ta bisa cu hopi di nan miembronan cu tin franchise ta sali perdi pasobre e productonan cu nan ta importa no ta cay bao handelsgoederen, cu ta significa cu nan no por haya e BBO bek mesora. Minister por splica kico ta sucede den un caso asina aki?
Het is belangrijk op te merken dat de betaling van BBO/BAVP en BAZV aan de grens een operationele kostenpost die aftrekbaar is van de belastbare winst, net als andere bedrijfsuitgaven. Daarnaast geldt voor BBO aan de grens een rechtstreekse aftrek van “BBO met BBO” wanneer het gaat om handelsgoederen die bestemd zijn voor de wederverkoop. Op deze manier heeft het huidige systeem van indirecte belastingen (BBO/BAVP en BAZV) een hybride karakter en speelt het in op verstoringen in de lokale markt en het gebrek aan naleving bij import en naleving van goederen. Het is belangrijk op te merken dat activiteiten met betrekking tot de verkoop van diensten, zoals bijvoorbeeld een kapsalon, spa (schoonheidssalon), catering/restaurant (horeca-activiteiten), onder de levering van diensten vallen. De goederen die worden geïmporteerd voor deze activiteiten worden niet beschouwd als handelsgoederen die bestemd zijn voor de wederverkoop, omdat ze deel uitmaken van de dienstverlening zelf. Handelsgoederen zijn goederen die worden gekocht of geïmporteerd met de bedoeling ze zonder verdere verwerking te verkopen.
AVP-fractie
21. De leden van de AVP-fractie vragen welk departement is bevoegd om een goed als ‘handelsgoed’ te kwalificeren.
Er wordt aangesloten bij een enge interpretatie van het begrip handelsgoederen zoals dat wordt opgenomen in de Landsverordening belasting over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten en de Landsverordening bestemmingsheffing AZV. Slechts de handelsgoederen die ingevoerd worden en bestemd zijn voor wederverkoop, worden als handelsgoederen aangemerkt. Hiervoor is geen apart departement nodig.
Onder “handelsgoederen” worden alle producten verstaan die worden geïmporteerd met het doel doorverkocht te worden. Dit is om de eenvoud in de uitvoering van de heffing van BBO/BAVP en BAZV bij de grens te waarborgen.
Voor supermarkten geldt dan de volgende toepassing:
1. De BBO wordt aan de grens betaald voor een rol kaas en is aftrekbaar niet alleen bij verkoop van een dergelijke rol, maar ook het deel dat in plakjes of in blokjes is gesneden zelfs indien er kruiden of sambal bij zijn toegevoegd.
2. De BBO wordt aan de grens betaald voor de kipfilet en is aftrekbaar niet alleen bij de verkoop van kipfilet, maar ook voor de verkochte kipfilet die gemalen is, in stukjes is gesneden zoals kipblokjes, maar ook voor de gekruide varianten zoals “shoarma chicken”, “Spanish chicken” en kippengehaktsalade.
3. De BBO wordt aan de grens betaald voor de blikjes tonijn en is aftrekbaar niet alleen bij de verkoop van blikjes tonijn, maar ook bij de verkoop van tonijnsalade die in de supermarkt wordt gemaakt.
RAIZ-fractie
1. De leden van de RAIZ-fractie vragen zich af of de Minister van Financiën en Cultuur de Staten van Aruba kan informeren waarom voor de definitie van handelsgoederen: goederen die bestemd zijn voor de wedervekop heeft gekozen en niet voor gewoon alle goederen (Met name voor een bredere basis en simpelere systeem).
Dienaangaande zij opgemerkt dat de BBO/BAVP en BAZV bij invoer een eerste stap is richting een hybride Btw-systeem. Er is gekozen voor een enge interpretatie van het begrip handelsgoederen ter waarborging van de eenvoud en ter voorkoming van discussies in de praktijk, met name bij de dienstensector, zoals onder andere bij restaurants (horeca) en vastgoedondernemingen. In dit verband wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag 6 van de MEP-fractie.
4.6
In de Ministeriële Regeling van 13 september 2023 (Regeling handelsgoederen) is het begrip ‘handelsgoederen’ nader ingekleurd. Voor zover hier van belang is in de Ministeriële Regeling handelsgoederen het volgende bepaald:
Artikel 2
Voor de toepassing van het begrip handelsgoederen wordt in geval van levering van een goed als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening, respectievelijk artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening BAZV mede aangemerkt:
goederen die bestemd zijn om bedrijfsmatig doorverkocht te worden, waarbij het goed materieel gezien hetzelfde is gebleven en de wezenlijke kenmerken van het goed niet zijn veranderd na eventuele bewerking of verwerkingshandelingen binnen de eigen onderneming;
onderdelen die door de ondernemer in de eigen onderneming worden geassembleerd of verwerkt worden tot een nieuw handelsgoed dat bedoeld is om bedrijfsmatig doorverkocht te worden; en
elke bewerkingshandeling van de ondernemer ten aanzien van eet- en drinkwaren, die bestemd zijn om bedrijfsmatig doorverkocht te worden, waarbij de levering van eet- en drinkwaren nagenoeg uitsluitend de overhand heeft en niet ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst.
Artikel 3
1. Deze ministeriële regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar plaatsing in het Afkondigingsblad van Aruba, en werkt terug tot en met 1 augustus 2023.
2. Deze ministeriële regeling wordt aangehaald als: Regeling handelsgoederen.
4.7
Met de Ministeriele Regeling heeft de Minister de reikwijdte van het begrip ‘handelsgoederen’ bedoeld te verruimen, hetgeen blijkt uit het feit dat in artikel 2 is Pro bepaald dat als handelsgoederen
mede [worden] aangemerktde onder de letters a, b en c vermelde handelingen. De ministeriele regeling is mede voorzien van een toelichting. Voor wat betreft het bepaalde onder artikel 2, letter c is in dit verband opgemerkt:
De verstrekking van eet- en drinkwaren kan als een handelsgoed worden aangemerkt indien de levering van eet- en drinkwaren nagenoeg uitsluitend de overhand heeft en niet ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst (hoofdprestatie), zoals bijvoorbeeld bij de aankoop van een hamburgermenu (hamburger, frietjes, en milkshake) met de daarbij behorende wegwerpservetjes, mayonaisesticks of ketchupsticks. Dit ligt geheel anders bij activiteiten, waarbij het verstrekken van eet- en drinkwaren ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst (hoofdprestatie), zoals bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van restaurantinfrastructuur (lees: restaurantmeubilair, linnen servet, serviesgoed, tafellaken, ambiance, airconditioning, het adviseren en informeren van gasten over het aanbod aan eet- en drinkwaren, het opdienen van eet- en drinkwaren aan tafel, het na de maaltijd weer afruimen van de tafel en eventuele live muziek). Hierbij is het van belang om vast te stellen dat deze voornoemde activiteiten gekwalificeerd worden als diensten, in de zin van de Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele PPS-projecten en de Landsverordening bestemmingsheffing AZV.
4.8
Voor wat betreft de beantwoording van vraag I is de verruiming, zoals neergelegd in de Ministeriële Regeling overigens niet direct van belang. Bij de beantwoording van vraag I gaat het in eerste instantie om de vraag of de Minister in zijn brief van 4 juli 2023 bij belanghebbende een te honoreren vertrouwen heeft gewekt
4.9
Of sprake is van te honoreren gewekt vertrouwen moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de belastingplichtige. Daarbij is sprake van een objectieve toets, waarbij het gaat om de vraag of de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht vertrouwen op een uitlating van, in dit geval, de Minister. Concreet vertaald is de vraag of de uitlatingen door de Minister in de brief van 4 juli 2023 bij belanghebbende redelijkerwijs het vertrouwen heeft kunnen wekken dat over de maand augustus 2023 de bij invoer betaalde BBO van Afl. 17.814 en de BAZV van Afl. 13.316 kon verrekenen met de BBO/BAZV die verschuldigd was over de door belanghebbende behaalde omzet, een en ander met inachtneming en tegen de achtergrond van hetgeen tot dat moment reeds aan uitlatingen door de Minister was gedaan (zie 4.5.1 tot en met 4.5.5).
4.1
Alvorens toe te komen aan de beantwoording van de vraag die onder 4.9 is gesteld, dient eerst vastgesteld te worden of de uitlating door de Minister in diens brief van 4 juli 2023 een beleidsregel is ter zake waarvan een beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan. Die vraag is te meer gerechtvaardigd nu het gaat om het wekken van vertrouwen ten aanzien van een voorstel van wet, derhalve van een regeling die nog geen kracht van wet heeft.
4.11
Naar het oordeel van het Gerecht moeten de uitlatingen door de Minister worden beschouwd als een beleidsregel (goedkeurend beleid) vooruitlopend op een nog uit te vaardigen Ministeriële Regeling. [5] Uit het wetgevende proces blijkt dat reeds in een Ministeriële Regeling was voorzien. Immers, in de ontwerp wettekst was al aan de Minister de bevoegdheid verleend om een Ministeriële Regeling uit te vaardigen met het oog op de toepassing van de definitie van het begrip ‘handelsgoederen’. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat, zoals zo vaak, de Ministeriële Regeling pas zal worden uitgevaardigd, nadat de wettelijke regeling tot stand is gekomen. [6] Met andere woorden: het is altijd de bedoeling geweest om een landsverordening uit te vaardigen waarin een ‘enge’ definitie van het begrip ‘handelsgoederen’ zou worden opgenomen, gevolgd door een Ministeriele Regeling waarin een verruiming van die definitie zou worden opgenomen.
4.12
Naar het oordeel van het Gerecht dient het antwoord op onder 4.9 gestelde vraag bevestigend te worden beantwoord.
Alhoewel de wetgever, zowel in de Memorie van Toelichting als in het Nader Rapport (consistent) vasthoudt aan de door hem genoemde ‘enge’ interpretatie van het begrip handelsgoederen en toelicht dat bij invoer door hotels en restaurants geen sprake is van handelsgoederen, kan uit de reactie van de Minister op de (brand)brief van 4 juli 2023 van de AFBA en AHATA niet(s) anders worden geconcludeerd dan dat de Minister in zijn brief van 4 juli 2023 blijkt geeft van een ruimere uitleg van het begrip ‘handelsgoederen’. In dat verband wijst het Gerecht met name op de zinsneden ‘granting them also a deduction right’ en ‘eliminating the limitation of restaurants’, waarbij ‘them’ slaat op de ‘Food and Beverage sector’. Uit deze zinsneden, maar ook uit het gegeven voorbeeld uit de brief van de Minister van 4 juli 2023 over de ingrediënten die leiden tot een ‘meal of taco’ heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht redelijkerwijs mogen opmaken dat de Minister uiteindelijk toch gehoor heeft gegevens aan de twijfel die werd opgeroepen door de Raad van Advies, de vertwijfeling bij de politiek (vraag 6 van de MEP-fractie) en de (brand)brief van de AFBA/AHATA. Daarbij acht het Gerecht voorts van belang dat dit ‘gehoor geven aan’ in algemene zin en ongeclausuleerd heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen kennelijk voor wat betreft de gehele ‘Food and Beverage sector’.
Dat later, op 13 september 2023, de Minister in de Ministeriële Regeling minder vergaand aan de ‘Beverage and Food sector’ tegemoet is gekomen, door het recht op aftrek van voorbelasting afhankelijk te maken van de mate waarin de verstrekking van eetwaren en dranken kwalificeren als (door)levering en als dienst (waarbij de levering niet ondergeschikt mag zijn aan de dienst), maakt het vorenstaande niet anders. Het vertrouwensbeginsel dient namelijk getoetst te worden op het moment dat de uitlating die vertrouwen kan wekken is gedaan, en niet achteraf. De beperking die de Minister aanbrengt in de Ministeriële Regeling dient naar het oordeel van het Gerecht, naast een herziene duiding van het begrip handelsgoederen, te worden beschouwd als het opzeggen van het op 4 juli 2023 gewekte vertrouwen.
4.13
In zijn verweerschrift en pleitnota heeft de Inspecteur nog aangevoerd dat de brief van de Minister van 4 juli 2023 geen beleid(saankondiging) is, maar dat het de bedoeling was om ondernemers gerust te stellen dat er verduidelijking zou komen over de aftrek van BBO bij invoer van handelsgoederen, dat de brief van de Minister van 4 juli 2023 niet kan worden beschouwd als formeel beleid en er nooit een beleidsbesluit is gepubliceerd in de Afkondigingsbladen van Aruba, dat met het inwerkingtreden van de Lv BBO op 1 augustus 2023 uitsluitend de tekst en de bedoeling van de wet, zoals goedgekeurd door de Staten geldt en dat de brief van de Minister van 4 juli 2023 geen rechtskracht heeft na 1 augustus 2023 en dus geen gerechtvaardigd vertrouwen kan wekken voor de periode na 1 augustus 2023.
4.13.1
Anders dan de Inspecteur stelt kan een gerechtvaardigd vertrouwen ook worden ontleend aan uitlatingen die ter kennis van het ‘publiek’ zijn gekomen, afkomstig van voor de Belastingdienst verantwoordelijke bewindslieden (vgl. de zogeheten Doorbraakarresten [7] ), ook al zijn die uitlatingen niet vervat in een resolutie of gepubliceerd in een daartoe bestemd publicatieblad. In casu betreft het een beleidsregel, vervat in een brief die afkomstig is van de bedrijfsverantwoordelijke Minister (van Financiën en Cultuur) aan een gehele bedrijfssector, die zoals de Inspecteur terecht stelt bedoeld is om de bedrijfssector gerust te stellen. Dat ‘geruststellen’ betreft overigens anders dan de Inspecteur stelt niet het in het vooruitzicht stellen van verduidelijking met betrekking tot de aftrek van BBO bij invoer, maar betreft het ongeclausuleerd ‘granting them also a deduction right.’
De brief van de Minister van 4 juli 2023 is overigens niet zomaar een brief. Het is een brief die onderdeel uitmaakt van een wetgevend traject, die heeft geleid tot de totstandkoming van de Lv BBO én de daarop betrekking hebbende Ministeriële Regeling.
Naar het oordeel van het Gerecht is de in de brief van de Minister van 4 juli 2023 vervatte beleidsregel ook duidelijk, zoals uiteengezet in het vermelde onder 4.12.
4.13.2
Onjuist acht het Gerecht de stelling van de Inspecteur dat de uitlating van de Minister in zijn brief van 4 juli 2023 ook geen rechtskracht meer heeft na 1 augustus 2023, omdat dan de Lv BBO, zoals goedgekeurd door de Staten, op 1 augustus 2023 in werking is getreden.
Het gewekte vertrouwen ziet namelijk niet op het bepaalde in Lv BBO, maar op hetgeen in een nog op te stellen Ministeriële Regeling moet worden opgenomen. In de brief van de Minister van 4 juli 2023 wordt daarop vooruit gelopen. Het door de Minister gewekte vertrouwen betreft niet alleen het vertrouwensbeginsel zoals zich dat in de fiscale jurisprudentie heeft ontwikkeld, maar ook het vertrouwen dat hij in de Staten heeft gewekt bij de Statenleden. Zoals in 4.13.1 is vermeld maakt de brief van de Minister van 4 juli 2023 deel uit van de wetgevingsdocumenten en zijn de leden van de Staten uiteindelijk akkoord gegaan met de Lv BBO, mede met inachtneming van de inhoud van die brief.
4.13.3
In artikel 3, lid 1 van de Ministeriële Regeling is bepaald dat deze in werking treedt op met ingang van de dag na die van haar plaatsing in het Afkondigingsblad van Aruba en dat deze terugwerkt tot en met 1 augustus 2023. De Ministeriële Regeling is op 13 september 2023 in het Afkondigingsblad van Aruba geplaatst en derhalve op 14 september in werking getreden. Dit roept de vraag op of de Ministeriele Regeling met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2023, zoals belanghebbende betwist, kan plaatsvinden.
4.13.4
Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige op grond van het vertrouwensbeginsel op toepassing van een beleidsregel mag blijven rekenen totdat het desbetreffende gerechtvaardigd vertrouwenwekkende beleidsbesluit (de brief van de Minister van 4 juli 2023) is ingetrokken of gewijzigd. Die intrekking heeft plaatsgevonden met de inwerkingtreding van de Ministeriële Regeling. Intrekking of wijziging kan in het algemeen genomen niet ten nadele van een belastingplichtige met terugwerkende kracht geschieden, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:BI4632. Op grond van het vorenstaande komt het Gerecht tot het oordeel dat belanghebbende tot en met 13 september 2023 gerechtvaardigd mag vertrouwen op de brief van de Minister van 4 juli 2023, en dat de naheffingsaanslagen over augustus 2023 derhalve ten onrechte zijn opgelegd.
4.13.5
In aanvulling op het hiervoor overwogene (en wellicht ten overvloede) voegt het Gerecht daaraan nog het volgende toe. In de onderhavige zaak gaat het om de toetsing van de Ministeriële Regeling, te weten een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Een dergelijke ‘lagere’ regeling kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals bijvoorbeeld het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. Zie in dit verband bijvoorbeeld Hoge 1 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5524, alwaar wordt vooropgesteld dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een, niet door de formele wetgever, gegeven, algemeen verbindend voorschrift onverbindend kan achten op de grond dat sprake is van schending van algemene rechtsbeginselen. Naar het oordeel van het Gerecht is van een dergelijke schending sprake. Het Gerecht acht het in strijd met rechtszekerheidsbeginsel indien het door de Minister gewekte vertrouwen met één pennenstreek zinledig zou kunnen worden gemaakt, enkel en alleen door aan een regeling terugwerkende kracht te verlenen. Tevens acht het Gerecht, in het bijzonder in het onderhavige geval, het verlenen van terugwerkende kracht aan de Ministeriële Regeling tot 1 augustus 2023, onzorgvuldig. Immers, ingevolge artikel 8, lid 2 en artikel 14, lid 1 van de Algemene landsverordening belastingen (ALB) wordt een belastingplichtige geacht binnen vijftien dagen na ommekomst van een tijdvak aangifte doen en overeenkomstig die aangifte de verschuldigde belasting te voldoen. Een en ander betekent dat belanghebbende de verschuldigde BBO over de maand augustus 2023 uiterlijk op 14 september 2023 dient te hebben voldaan. Op z’n vroegst heeft belanghebbende één dag daarvóór, op 13 september 2023, kennisgenomen van de Ministeriële Regeling die toen in het Afkondigingsblad is gepubliceerd. Dat betekent dat belanghebbende nog één dag de tijd zou hebben gehad om haar zeer waarschijnlijk reeds ingevulde aangifte te herzien. Nog waarschijnlijker is dat belanghebbende op de dag waarop de Ministeriële Regeling is gepubliceerd reeds aangifte heeft gedaan en de verschuldigde belasting al heeft voldaan met inachtneming van het door de brief van de Minister van 4 juli 2023 gewekte vertrouwen (en dus belasting betaald bij invoer heeft verrekend met de over de omzet verschuldigde belasting). Gegeven de korte tijdspanne van maximaal één dag kan niet van belanghebbende worden verwacht, dat hij nog aangifte doet of kan doen overeenkomstig het bepaalde in de Ministeriële Regeling.
Zoals vermeld in 4.12, slotzin, moet de Ministeriele Regeling tevens worden beschouwd als het opzeggen van het op 4 juli 2023 gewekte vertrouwen. Een belastingplichtige mag er in alle redelijkheid van uit gaan dat als het jegens hem gewekte vertrouwen wordt opgezegd of gewijzigd, hij enige tijd krijgt om te kunnen acteren op die opzegging of wijziging.
4.14
Vraag I dient bevestigend te worden beantwoord als gevolg waarvan vraag II geen beantwoording meer behoeft.
Slotsom
4.15
De slotsom is dat het beroep van belanghebbende gegrond is en dat de onder 1.1 vermelde aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen vernietigd dienen te worden.
Ten overvloede
4.16
Het Gerecht kan zich voorstellen dat partijen met het oog op de toekomst met deze uitspraak niet veel opschieten. Het materiële geschil – bestaat, en zo ja tot welk bedrag, recht op aftrek van bij invoer geheven BBO en BAZV – is immers niet beslecht.
Het Gerecht veronderstelt dat de Inspecteur over een andere maand dan augustus 2023 opnieuw naheffingsaanslagen zal opleggen, waartegen belanghebbende dan vervolgens opnieuw bezwaar en beroep zal instellen. Gegeven het feit dat het Gerecht in deze zaak vrijwel over alle feiten beschikt om de zaak inhoudelijk af te doen, zegt het Gerecht toe dat, als na een hopelijk (razend)snelle bezwaarprocedure, de zaak opnieuw zal worden voorgelegd aan het Gerecht, deze dan vervolgens met voorrang de zaak op een (in te lassen) zitting zal behandelen.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1
Ingevolge artikel 22a, lid 2 ALB worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de belastingaanslag wordt herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (hierna Besluit).
5.2
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Nu de naheffingsaanslagen over het tijdvak augustus 2023 worden vernietigd, is de onrechtmatigheid van die naheffingsaanslagen gegeven. Deze onrechtmatigheid wordt aan de Inspecteur toegerekend (vgl. HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https://www.navigator.nl/document/id15761998022016474admusp?anchor=id-a0b95f7bef22e2c4a6e1c988f267a298); GEA Aruba 12 april 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:218).
5.3
Het Gerecht stelt de proceskosten op de voet van het Besluit, vast op Afl. 100 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van Afl. 100, en een wegingsfactor van 1).
Kosten beroepsfase
5.4
Nu het beroep deels gegrond is vindt het Gerecht aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.5
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Besluit.
5.6
In artikel 1 van Pro het Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).
Griffierecht
5.7
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.BESLISSING

Het Gerecht:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslagen;
  • veroordeelt de Inspecteur in de kosten van bezwaar tot een bedrag van Afl. 100, alsmede in de kosten van beroep tot een bedrag van Afl. 1.400, totaal Afl. 1.500; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 24 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel- van der Biezen BSc.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300

Voetnoten

1.De tekst is letterlijk van het controlerapport overgenomen, inclusief type- en schrijffouten.
2.Om redenen van de leesbaarheid zijn alleen de bepalingen voor wat betreft de aanpassing van de Lv BBO opgenomen. Deze voorgestelde bepalingen hebben eveneens te gelden voor de additionele voorzieningen PPS-projecten en de Landsverordening bestemmingsheffing AZV. Ook in vervolg van deze uitspraak dient voor BBO ook steeds te worden gelezen BAVP en BAZV.
3.De beoogde datum van inwerkingtreding was aanvankelijk 1 juli 2023.
4.De oorspronkelijke tekst van de memorie van toelichting, die verstrekt is aan de Raad van Advies (en kennelijk daarna is aangepast), is niet gepubliceerd, althans niet bekend bij het Gerecht. Het Gerecht kan dan ook niet nagaan wat de verschillen zijn tussen beide ontwerpen en waarop de Raad van Advies in eerste instantie op heeft gereageerd.
5.In de Ministeriële Regeling was van begin af aan al voorzien. In de ontwerp-wettekst was het bepaalde in artikel 1, lid 5 Lv BBO reeds opgenomen.
6.In het Nader Rapport is opgenomen dat
7.Hoge Raad 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264, AC2432 en AM4447.