ECLI:NL:OGEABES:2026:149

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BON202600261
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1614b BW BESArt. 7A:1614d BW BESArt. 7A:1614q BW BESArt. 7A:1615d BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot loondoorbetaling na onrechtmatige functiewijziging manager buitenschoolse opvang

De werknemer is sinds 2025 als manager in dienst van een stichting voor buitenschoolse opvang. Na een arbeidsconflict heeft de werkgever de werknemer opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten, maar met een sterk gereduceerd takenpakket. De werknemer was bereid te werken, maar niet onder deze gewijzigde voorwaarden en vroeg om overleg, waarop de werkgever niet inging.

De werkgever hield vervolgens loon in en stopte vanaf maart 2026 met betalen. De werknemer vordert in kort geding doorbetaling van haar loon. De rechtbank oordeelt dat de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de eenzijdige wijziging van het takenpakket gerechtvaardigd was. De Minister van SZW had eerder al het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de werknemer niet verplicht was mee te werken aan de wijziging en dat de oorzaak van het niet werken voor rekening van de werkgever komt. Daarom heeft de werknemer recht op doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026. De inhoudingen over januari en februari 2026 zijn niet voldoende onderbouwd als betaald, zodat ook die bedragen worden toegewezen. Daarnaast wordt een wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente toegewezen. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werknemer krijgt loondoorbetaling vanaf 1 januari 2026 toegewezen wegens onrechtmatige functiewijziging door de werkgever.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202600261
Datum beslissing: 22 juni 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van
[eiser],
wonend op Bonaire,
eisende partij,
hierna: [eiser].
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
STICHTING AFTERSCHOOL INSTITUUT VOOR HUISWERKBEGELEIDING,
gevestigd op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: de Stichting
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

1.Het procesverloop

1.1.
Op 25 mei 2026 heeft [eiser] een verzoekschrift met bijlagen bij de griffie van dit Gerecht ingediend.
1.2.
In het procesdossier bevinden zich verder de volgende stukken:
- de brief van mr. Nicolaas van 5 juni 2026 met producties 1 tot en met 18.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. Namens de Stichting is verschenen haar bestuurder mevrouw [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1]), bijgestaan door mr. Nicolaas. De spreekaantekeningen die de advocaten hebben voorgedragen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het Gerecht bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1. [
eiser] is sinds 2025 als manager in dienst van de Stichting. Na een arbeidsconflict is zij door de Stichting opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten. Daarbij is haar een sterk gereduceerd takenpakket opgedragen. [eiser] heeft meermaals te kennen gegeven dat zij bereid is haar werkzaamheden te hervatten, maar bezwaar heeft tegen de wijziging van haar taken en om overleg gevraagd.
De Stichting is niet op het verzoek voor overleg ingegaan en heeft in januari en februari 2026 inhoudingen op het salaris toegepast. Vanaf maart 2026 heeft zij de loonbetaling gestaakt. [eiser] vordert in dit kort geding doorbetaling van haar loon. Het Gerecht komt tot de conclusie dat zij inderdaad recht heeft op loondoorbetaling en wijst de vordering toe.

3.De feiten

3.1.
De Stichting is een buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. De Stichting wordt bestuurd door [bestuurder 1] en de heer [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2]).
3.2.
Met ingang van 1 januari 2025 is [eiser] in dienst getreden bij de Stichting in de functie van manager op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met een bruto maandsalaris van USD 4.000 op basis van een 40-urige werkweek.
3.3.
Volgens de functieomschrijving is het hoofddoel van de functie van [eiser] het volgende:
“De manager is verantwoordelijk voor de dagelijkse operationele leiding van Stichting Afterschool IVHB. Zij zorgt voor een goed functionerende opvang, aansturing van personeel, naleving van wet- en regelgeving, interne communicatie, kwaliteit en veiligheid. Alle belangrijke beslissingen worden vooraf besproken met de houder.”
Als houder en secretaris zijn aangewezen: [bestuurder 1] en [bestuurder 2], de schoonzus en broer van [eiser].
3.4.
Op 16 oktober 2025 heeft de Stichting een verzoek om toestemming tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingediend bij SZW-CN, op de grond dat de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer ernstig en duurzaam is verstoord. Bij beschikking van 6 november 2025 heeft de Minister van SZW dit verzoek afgewezen omdat niet is gebleken van zodanige omstandigheden dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet langer van de werkgever kan worden gevergd.
3.5.
Op verzoek van [eiser] heeft Arbeidszaken SZW een bemiddelingsgesprek met partijen gepland op 16 december 2025. Dit gesprek heeft geen doorgang gevonden omdat [bestuurder 1] dit op dat moment afwees.
Op verzoek van de gemachtigde van de Stichting heeft Arbeidszaken SZW alsnog een bemiddelingsgesprek gepland op 16 januari 2026. Dit gesprek is niet doorgegaan, omdat de gemachtigde van de Stichting had aangegeven bij het gesprek aanwezig te zullen zijn en [eiser] daarop liet weten dan ook passende bijstand (van een advocaat of van de vakbond) te willen regelen, waarvoor zij meer tijd nodig had.
3.6.
Bij e-mail van 27 januari 2026, met als onderwerp ‘hervatting werkzaamheden en werkafspraken (passende arbeid) per 28 januari 2026 [adres]’ heeft de Stichting (in de persoon [bestuurder 1]) [eiser] opgeroepen om op de genoemde datum het werk te hervatten. Het bericht houdt onder meer het volgende in:
“Kern van de inzetU verricht uitsluitend uitvoerende werkzaamheden op basis van concrete opdrachten van de leidinggevende. U heeft geen controlerende, signalerende, adviserende of aansturende rol en handelt niet op eigen initiatief.
Taken werkzaamheden
Uitvoering op opdracht (…)
Voorbereidingen per groep (opdrachtgestuurd) (…)
Facilitaire ondersteuning (uitvoerend) (…)
Boodschappen en inkopen (…).
(…)
U wordt verzocht uiterlijk op 28 januari 2026 bij aanvang van uw werkdag alle bedrijfseigendommen van Stichting Afterschool IVHB in te leveren (…).
(…)
Het niet verschijnen op de werkplek, het niet uitvoeren van opgedragen werkzaamheden of het niet opvolgen van instructies wordt aangemerkt als het niet nakomen van arbeidsverplichtingen. (…)”
3.7. [
eiser] heeft bij e-mail van 27 januari 2026 geantwoord dat zij steeds bereid is geweest haar werkzaamheden te verrichten en dat zij bereid is hierover in gesprek te gaan, mits vooraf duidelijkheid wordt verschaft over haar positie, de aard van de werkzaamheden en de randvoorwaarden waaronder dit plaatsvindt. Daarbij heeft zij laten weten beschikbaar te blijven om haar functie als manager uit te oefenen, mits hierover duidelijke en redelijke afspraken worden gemaakt in overleg, passend bij haar rol en verantwoordelijkheden.
3.8.
De Stichting heeft gereageerd met de mededeling dat de werkhervatting vaststaat en dat de bereidheid om hierover eerst in overleg te treden of aanvullende voorwaarden geen vereiste zijn voor werkhervatting. Daarbij heeft de Stichting te kennen gegeven dat het feit dat [eiser] in dienst is als manager onverlet laat dat de directie bevoegd is om taken en verantwoordelijkheden binnen de organisatie te verdelen en zelf uit te voeren. De werkzaamheden die zijn opgedragen vallen binnen de reikwijdte van de functie als manager en zijn vastgesteld in het kader van passende arbeid en een zorgvuldige werkhervatting, en zij doen geen afbreuk aan de overeengekomen arbeidsvoorwaarden, zo schrijft de Stichting.
3.9.
Partijen hebben hierna uitvoerig verder gecorrespondeerd. [eiser] is blijven benadrukken dat zij bereid is haar werkzaamheden te hervatten, maar dat het gelet op de aard en omvang van de voorgestelde afspraken noodzakelijk is om enkele punten te bespreken voordat zij in werking treden, omdat zeer vergaande en eenzijdige beperkingen worden opgelegd.
3.10.
Op 28 januari 2026 heeft [eiser] zich ziek gemeld. De Stichting heeft bericht dat de ziekmelding is geregistreerd en dat de beoordeling van de belastbaarheid van [eiser] ligt bij de bevoegde instantie.
3.11.
Blijkens de loonstroken over januari en februari 2026 heeft de Stichting (in elk geval aanvankelijk) USD 738,56 (32 uur) en USD 2.818,92 (173,33 uur) op het loon van [eiser] ingehouden. Vanaf maart 21026 heeft de Stichting geen loon meer betaald aan [eiser].

4.De vordering en het verweer

4.1. [
eiser] vordert de Stichting te bevelen het loon van [eiser] ad USD 4.000 bruto per maand vanaf 1 januari 2026 voorlopig te betalen en door te blijven betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES) over het achterstallige loon alsmede de wettelijke rente voor zover van toepassing, totdat het dienstverband van [eiser] rechtsgeldig is beëindigd. Verder vordert [eiser] de Stichting te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
De Stichting voert - kort gezegd - het verweer dat geen sprake is van een functiewijziging, maar van een tijdelijke en redelijke aanpassing van de taken die voldoet aan de eisen van goed werkgeverschap. De Stichting stelt dat zij [eiser] meerdere malen heeft verzocht om haar werk te hervatten, maar dat [eiser] hardnekkig heeft geweigerd haar opgedragen werkzaamheden te verrichten. Nu [eiser] geen werkzaamheden heeft verricht, geldt volgens de Stichting de hoofdregel ‘no work, no pay’. De Stichting stelt verder de eerder ingehouden bedragen over januari en februari 2026 te hebben nabetaald, zodat geen sprake is van achterstallig loon. In het verlengde hiervan bestaat volgens de Stichting ook geen recht op de wettelijke verhoging en wettelijke rente, althans vraagt zij om matiging van de wettelijke verhoging.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig, verder worden ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Op grond van artikel 226 Rv Pro BES kan in alle zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist de belanghebbende partij zich wenden tot de rechter in eerste aanleg met een daarop gericht verzoek. Hieruit volgt dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening een vereiste is.
5.2.
Het spoedeisend belang van [eiser] bij haar vordering is niet betwist en vloeit voort uit de aard daarvan: [eiser] ontvangt al enkele maanden geen loon, terwijl zij daarvan afhankelijk is om in haar levensonderhoud te voorzien.
[eiser] heeft recht op doorbetaling van haar loon
5.3.
Het wettelijk uitgangspunt is dat geen loon verschuldigd is voor de tijd dat een werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. [1] Dit geldt niet als de werknemer bereid was de arbeid te verrichten, maar dat niet heeft kunnen doen door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. [2]
5.4.
Het is niet in geschil dat [eiser] sinds 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor de Stichting. De vraag die beantwoord moet worden is of dat komt door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de Stichting moet komen.
5.5.
Tussen [eiser] en de Stichting (in de persoon van [bestuurder 1]) is een conflict ontstaan op het werk. In verband daarmee heeft de Stichting aan de Minister van SZW verzocht om de arbeidsovereenkomst van [eiser] te mogen beëindigen. Dat verzoek is op 6 november 2025 afgewezen. Daarna heeft [eiser] het initiatief genomen om met hulp van Arbeidszaken SZW een bemiddelingsgesprek tussen haar en de Stichting te organiseren. Dat bemiddelingsgesprek is niet doorgegaan, omdat [bestuurder 1] namens de Stichting die uitnodiging heeft afgewezen. Later is op 16 januari 2026 opnieuw een bemiddelingsgesprek gepland bij Arbeidszaken SZW. Dat gesprek is niet doorgegaan, omdat de gemachtigde van de Stichting had aangegeven bij dat gesprek aanwezig te zullen zijn en [eiser] daarop liet weten dan ook passende bijstand te willen regelen, waarvoor zij meer tijd nodig had.
5.6.
Zonder dat partijen met elkaar in gesprek zijn gegaan over de terugkeer van [eiser] naar haar werkzaamheden bij de Stichting, heeft de Stichting op 27 januari 2026 een e-mailbericht gestuurd waarin [eiser] werd opgeroepen om op 28 januari 2026 op het werk te verschijnen. In het
e-mailbericht staat een lijst met taken die [eiser] vanaf 28 januari 2026 zou moeten verrichten en een net zo grote lijst met taken die [eiser] niet meer zou mogen verrichten. Voor zo ver de Stichting zich (nog) op het standpunt stelt dat de taken van [eiser] niet sterk zouden worden beperkt, wordt zij niet in dat standpunt gevolgd. Uit de door de Stichting overgelegde taakomschrijving van de functie van [eiser] blijkt dat zij als manager onder meer verantwoordelijk was voor de dagelijkse operationele leiding van de Stichting en het personeel aanstuurt. De door de Stichting opgedragen werkzaamheden in het e-mailbericht van 27 januari 2026 beperken zich tot (facilitaire) ondersteunende werkzaamheden en andere werkzaamheden uitsluitend op basis van een concrete opdracht (zie rechtsoverweging 3.6). Dat betekende een drastische inperking van haar taken. Op de mondelinge behandeling is namens de Stichting verklaard dat het gewijzigde takenpakket tijdelijk van aard en ten behoeve van het herstel van de arbeidsrelatie zou zijn. Dat het gewijzigde takenpakket tijdelijk zou zijn, blijkt niet uit het e-mailbericht van 27 januari 2026 en de nadien door partijen gevoerde mailcorrespondentie. Integendeel, op 27 januari 2026 schrijft [bestuurder 1] in een e-mailbericht aan [eiser] dat de gewijzigde werkzaamheden voortvloeien uit
“de gekozen organisatie-inrichting”van de Stichting.
5.7.
In de arbeidsovereenkomst van [eiser] is geen schriftelijk wijzigingsbeding opgenomen op grond waarvan de Stichting bevoegd was het takenpakket van [eiser] te wijzigen. Een werknemer kan evenwel gehouden zijn om als goed werknemer [3] mee te werken aan een door de werkgever voorgestelde wijziging. In het Stoof/Mammoet-arrest heeft de Hoge Raad daarvoor een maatstaf geformuleerd. [4] Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Stichting onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een rechtvaardiging voor het wijzigen van het takenpakket van [eiser]. De Minister van SZW heeft op 6 november 2025 geoordeeld dat niet is gebleken van zodanige omstandigheden dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet langer van de werkgever kon worden gevergd. Ook in dit kort geding heeft de Stichting onvoldoende onderbouwd dat het beperken van de werkzaamheden van [eiser] gerechtvaardigd was. De Stichting heeft alleen verwezen naar notulen van een vergadering met het personeel waaruit volgens haar zou blijken dat de andere werknemers verontrust zouden zijn vanwege de terugkeer van [eiser]. Het is niet duidelijk welke werknemers dat hebben verklaard en waarom die werknemers verontrust zouden zijn over de terugkeer van [eiser].
5.8.
Het voorgaande brengt met zich dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de Stichting gerechtigd was eenzijdig de functie van [eiser] te wijzigen. Van [eiser] hoefde onder deze omstandigheden niet te worden verwacht dat zij zonder meer zou meewerken aan de door de Stichting opgelegde wijziging. [eiser] heeft zich herhaaldelijk bereid verklaard haar overeengekomen werkzaamheden als manager van de Stichting te verrichten. Omdat de oorzaak dat [eiser] na 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor rekening van de Stichting moet komen, verliest [eiser] haar recht op loon op grond van artikel 7A:1614d BW BES niet. De vordering van [eiser] tot doorbetaling van haar loon vanaf 1 januari 2026 zal daarom worden toegewezen.
Achterstallig loon over januari en februari 2026?
5.9.
De Stichting heeft tijdens de zitting nieuwe loonstroken over januari en februari 2026 overgelegd, waarin de inhoudingen wegens niet gewerkte uren niet meer voorkomen. Volgens de Stichting zijn de eerder (ten onrechte) ingehouden bedragen alsnog uitbetaald. Betalingsbewijzen heeft zij echter niet overgelegd en tijdens de zitting konden partijen daarover ook geen voldoende duidelijkheid geven. Bij gebreke daarvan wijst het Gerecht de vordering tot betaling van het volledige loon ook over deze maanden toe. Mocht blijken dat de Stichting het volledige salaris over deze maanden al heeft betaald, dan hoeft zij dat vanzelfsprekend niet nogmaals te doen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.10.
Over het achterstallig loon zal de gevorderde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES worden toegewezen. Die wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van opeisbaarheid van de achterstallige loonvorderingen.
Proceskosten en nakosten
5.11.
De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op USD 251,- aan in debet gesteld griffierecht, te betalen aan de griffier van het Gerecht. De overige proceskosten van USD 559,- aan salaris gemachtigde (liquidatietarief voor ontslagzaken in kort geding) en USD 140,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) moeten aan [eiser] worden betaald.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.12.
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Hiertegen heeft de Stichting ook geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van de Stichting tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als de Stichting in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing mocht worden genomen.
Toestemming voor kosteloos procederen
5.13. [
eiser] zal gelet op het door haar overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtsbijstand’ worden toegestaan om kosteloos te procederen.

6.De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,
6.1.
staat [eiser] toe kosteloos te procederen;
6.2.
veroordeelt de Stichting om aan [eiser] haar loon van USD 4.000,00 bruto per maand vanaf 1 januari 2026 te betalen en volledig door te blijven betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW over het achterstallige loon, gemaximeerd op 10%, en de wettelijke rente over de loonbedragen telkens vanaf het verstrijken van de voor de voldoening ervan bepaalde termijn tot de dag van volledige betaling,
totdat het dienstverband van [eiser] rechtsgeldig is beëindigd;
6.3.
veroordeelt de Stichting tot betaling van het in debet gestelde griffierecht van USD 251,00, te betalen aan de griffier van dit Gerecht;
6.4.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de overige proceskosten aan [eiser], begroot op USD 699,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en bij zijn afwezigheid getekend door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7A:1614b BW BES.
2.Artikel 7A:1614d BW BES.
3.Als bedoeld in artikel 7A:1615d BW BES.
4.Hoge Raad 11 juli 2007, ECLI:NL:HR:2008:BD1847.