Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.OVERWEGINGEN
Voorwaardelijke intrekking
3.DE BESLISSING
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende kreeg op 10 juni 2016 een voorlopige aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd over het jaar 2016. Tegen deze aanslag maakte belanghebbende bezwaar, stellende geen genothebbende te zijn van het betreffende onroerend goed. De Inspecteur handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Het Gerecht oordeelde eerder dat voorlopige aanslagen OZB niet kunnen worden opgelegd wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. De Inspecteur kondigde aan alle voorlopige aanslagen OZB te zullen vernietigen. Belanghebbende trok zijn beroep in onder de voorwaarde dat de Inspecteur de aanslag zou vernietigen. Omdat dit nog niet was gebeurd, werd het beroep niet als ingetrokken beschouwd.
Het Gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het belang, maar ging om proceseconomische redenen toch over tot gegrondverklaring en vernietiging van de voorlopige aanslag. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan belanghebbende, aangezien de Inspecteur volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.J.H. van Suilen op 11 januari 2019. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen twee maanden na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De voorlopige aanslag OZB 2016 wordt vernietigd en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.