Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
verzoekster,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
verweerster,
gemachtigde: mr. D.M. Wildeman.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
De werkneemster, sinds 1993 in dienst bij een familiebedrijf op Curaçao, werd in juli 2018 op non-actief gesteld wegens vermoedens van het in rekening brengen van te hoge bedragen aan klanten, gebaseerd op een Facebook-bericht en kassabon van 15 april 2018. De schorsing vond plaats zonder duidelijke mededeling van het specifieke incident en zonder haar te horen, wat zij betwistte als onredelijk en onzorgvuldig.
De werkgever stelde dat het incident van april 2018 een herhaling was van een eerder incident in 2017, waarbij de werkneemster ook teveel geld in rekening had gebracht, en dat de schorsing noodzakelijk was om reputatieschade en contractrisico's met de luchthaven te voorkomen. De werkneemster vorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een billijke vergoeding van NAf 45.000, terwijl de werkgever instemde met ontbinding maar betwistte dat een hogere vergoeding dan de cessantia gerechtvaardigd was.
Het Gerecht oordeelde dat hoewel de werkgever een zwaarwegend belang had voor de schorsing, deze niet met de vereiste zorgvuldigheid was uitgevoerd, met name door het ontbreken van een duidelijke reden en het niet horen van de werkneemster. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 7 maart 2019 en een vergoeding van NAf 21.000 bruto toegekend, rekening houdend met het onzorgvuldig handelen van de werkgever en de gedragingen van de werkneemster. Tevens werd het achterstallige salaris en buitengerechtelijke kosten toegewezen, met compensatie van proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 7 maart 2019 met een vergoeding van NAf 21.000 bruto en toekenning van achterstallig salaris en incassokosten.