Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid bezwaren maanden januari, februari, maart en mei 2018
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende, een eenmanszaak op Curaçao, kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd voor niet tijdig ingediende aangiften loonbelasting en premies over verschillende maanden in 2018. Hij maakte bezwaar tegen deze aanslagen en boetes, stellende geen werknemers in dienst te hebben maar gebruik te maken van onderaannemers. De Inspecteur stelde dat sprake was van een dienstbetrekking of fictieve dienstbetrekking, maar leverde onvoldoende bewijs.
Het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur niet aan zijn bewijslast had voldaan om het bestaan van een dienstbetrekking of fictieve dienstbetrekking aannemelijk te maken. Het enkele feit dat de betrokken personen niet als zelfstandigen in het belastingsysteem voorkwamen, was onvoldoende. Hierdoor werden de naheffingsaanslagen loonbelasting en premies over januari, februari, maart en mei 2018 vernietigd.
De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen en boetes over juli 2018 werden echter niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De opgelegde boetes voor het niet tijdig indienen van aangifte werden deels vernietigd en deels gehandhaafd, waarbij alleen één boete per maand werd toegestaan conform het evenredigheidsbeginsel.
Het Gerecht veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en droeg op het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijslastverdeling en het naleven van formele termijnen bij belastingaanslagen.
Uitkomst: Naheffingsaanslagen en boetes over meerdere maanden vernietigd wegens onvoldoende bewijs dienstbetrekking, boetes over juli 2018 gehandhaafd.