Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
1.Het procesverloop
2.De feiten
In deze beschikking wordt het volgende als vaststaand aangenomen:
[werknemer], thans 51 jaar, is vanaf mei 2017 als chirurg in het Sint Elisabeth Hospitaal (Sehos) te Curaçao komen werken. Aanvankelijk op waarnemingsbasis, en vanaf december 2017 op basis van een getekende arbeidsovereenkomst voor een periode van twee jaar. Mede op basis van een advies van de vakgroep chirurgie, bood Sehos [werknemer] in september 2019 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan, die door [werknemer] is aanvaard. Die arbeidsovereenkomst is per 15 november 2019 overgenomen door CMC, dat vanaf die datum het nieuwe ziekenhuis in Otrobanda exploiteert.
Bij brief van 14 januari 2021 heeft CMC de Minister van GMN negatief geadviseerd met betrekking tot een door [werknemer] gedaan ontheffingsverzoek ex artikel 3 Landsverordening Pro beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren, daarbij onder meer verwijzend naar de concept-inspectierapporten en de brief van de Service Line Chief van 23 november 2020.
4.2. Het verzoek tot ontbinding zal worden afgewezen. Naar het oordeel van het gerecht is er weliswaar sprake van veranderingen in de omstandigheden – de negatieve publiciteit over [werknemer], de concept-rapportages van de Inspecteur Gezondheidszorg, het voortduren van [werknemer]s op non-actiefstelling, het uitblijven van een besluit op [werknemer]s verzoek tot ontheffing op het werkverbod en de wijziging in positie van een deel van [werknemer]s naaste collega-chirurgen – maar maken die veranderingen niet dat de billijkheid eist dat de dienstbetrekking nu of op korte termijn wordt beëindigd. De billijkheid verzet zich daar integendeel tegen. Het gerecht licht dit hierna toe.
De commissie is door CMC verzocht om het onderzoek uit te voeren aan de hand van het CanMeds-model en om de volgende vragen te onderzoeken:
6.1. De commissie concludeert dat zij vermeend medisch disfunctioneren van [werknemer] in algemene zin niet heeft kunnen vaststellen. Echter, de commissie onderschrijft dat medisch functioneren alleen niet voldoende is om [werknemer], of welke andere specialist ook, in de organisatie te kunnen behouden.
5.18 Terugkomend op het CanMeds-model, heeft de commissie naar aanleiding van haar onderzoek het volgende vastgesteld t.a.v. de CanMeds competenties van [werknemer]:
De instelling sluit een verzekering af die de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Specialist wegens door, lichamelijk letsel en/of zaakschade aan derden toegebracht dekt. De Instelling zal de kosten voor deze verzekering voldoen tot aan het moment anders wordt overeengekomen.
3.Het geschil
Het ontbindingsverzoek
De arbeidsovereenkomst tussen CMC en de heer [werknemer] op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1615w met onmiddellijke ingang te ontbinden, althans met ingang van een door Uw Gerecht te bepalen tijdstip, kosten rechtens.”
CMC te veroordelen de op non-actiefstelling met onmiddellijke ingang op te heffen en alles in het werk te stellen om een ontheffing voor de heer [werknemer] te verkrijgen, waarna hij direct aan het werk dient te worden gesteld. Daarnaast verzoekt de heer [werknemer] om CMC te veroordelen tot betaling van de juridische kosten die hij in verband met zijn verweer voor de Inspectie heeft gemaakt, zijnde tot op heden een bedrag van NAf 44.455,64, en die hij in de toekomst nog zal moeten maken in dat verband. Een en ander met veroordeling van CMC om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de kosten van de procedure, alsmede nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente, voor zover mogelijk, indien deze kosten niet zijn voldaan binnen zeven dagen na de in deze zaak te wijzen beschikking, te voldoen.”
4.De beoordeling
Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge artikel 7A:1615w lid 8 BW generlei voorziening is toegelaten tegen een beschikking op een ontbindingsverzoek. Hieruit volgt dat, bij afwijzing van een dergelijk verzoek, bindend tussen partijen is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst op de aan dat verzoek ten grondslag gelegde feiten niet billijkheidshalve behoort te eindigen. Dit brengt derhalve mee dat een hernieuwd verzoek met de nodige terughoudendheid dient te worden beoordeeld teneinde te voorkomen dat het tweede ontbindingsverzoek in feite moet worden aangemerkt als een verkapt hoger beroep. In beginsel dient aan een dergelijk tweede verzoek de eis te worden gesteld dat sprake is van voor de beoordeling relevante nieuwe feiten die ten tijde van de behandeling van het eerdere verzoek niet aan de orde konden worden gesteld, omdat deze toen bij de verzoekende partij nog niet bekend waren noch in redelijkheid bekend hadden kunnen zijn.”
5.De beslissing
22 december 2022 in het openbaar uitgesproken.