Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
1. BANCO INDUSTRIAL DE VENEZUELA C.A.,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
gemachtigden: mrs. G.B. Steward en P.Ch.M. Tweeboom.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
De zaak betreft een loonvordering van de manager en vereffenaarsfunctiehouder van Banco Industrial de Venezuela (BIV) in Curaçao, tegen BIV zelf. Na een eerdere vaststellingsovereenkomst die diverse geschilpunten beslechtte, resteert de vordering tot betaling van achterstallig loon en een bonus over de periode 1 januari 2023 tot 22 maart 2024.
De manager baseert zijn vordering op een arbeidsovereenkomst en een Service Agreement waarin zijn loon en vergoeding zijn geregeld, ook tijdens de vereffening van het Curaçaose filiaal van BIV. BIV stelt dat het filiaal al jaren niet meer actief was en dat de manager zichzelf betaalde zonder controle vanuit Caracas.
Het gerecht oordeelt dat er een arbeidsovereenkomst bestond en dat de manager recht heeft op doorbetaling van loon tot de beëindiging van de Service Agreement op 22 maart 2024. De loonbetalingen stopten door blokkering van de bankrekening, maar dit impliceert geen rechtsgeldige opzegging. De gevorderde bonus wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Banco Industrial de Venezuela wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon aan de manager over januari 2023 tot 22 maart 2024 met rente.