ECLI:NL:OGEAC:2024:60

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
CUR202303866
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1614q BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afrekening na beëindiging arbeidsovereenkomst met werkster

De zaak betreft een geschil over de afrekening na beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster, een werkster, en verweerder. Verweerder stelde dat hij maandelijks minimaal NAf 1.200 had betaald, terwijl verzoekster slechts NAf 900 erkende. Het gerecht oordeelde dat verweerder niet slaagde in zijn bewijslevering en veroordeelde hem tot betaling van NAf 6.600 aan achterstallig loon.

Daarnaast werd vastgesteld dat verzoekster recht heeft op vergoeding voor 25 vakantiedagen, berekend op basis van een door een SOAW-ambtenaar opgestelde eindafrekening, wat resulteerde in NAf 1.202,50. Ook werden bedragen voor opzegtermijn en cessantia toegewezen. De wettelijke verhoging op de loonvordering werd vastgesteld op 15%, gezien de omstandigheden van de zaak.

Verweerder werd veroordeeld tot betaling van in totaal NAf 8.660,20 vermeerderd met de wettelijke verhoging, alsmede de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van NAf 8.660,20 met 15% wettelijke verhoging en proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202303866
Beschikking van 26 maart 2024
in de zaak van
[VERZOEKSTER],wonend in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,
tegen
[VERWEERDER],
wonende in Curaçao,
verweerder,
gemachtigde: mr. N.F.C. Themen-Cairo.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 25 januari 2024,
  • de aktes van partijen van 27 februari 2024;
  • de antwoordaktes van partijen van 12 maart 2024.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

Het daadwerkelijk betaalde loon
2.1.
Verweerder is bij de tussen beschikking toegelaten te bewijzen dat hij verzoekster maandelijks niet slechts NAf 900 maar (minimaal) NAf 1.200 heeft betaald en is in de gelegenheid gesteld daartoe een akte te nemen. Verweerder heeft een akte overlegging bewijsstukken genomen heeft twee verklaringen van werknemers overgelegd. Daarin wordt echter niet verklaard over de hoogte van de bedragen die verzoekster ter hand werden gesteld, en dat is waar het geschil nu nog over gaat. Voor het door verweerder overgelegd de transactieoverzicht en de bankafschriften betreffende geldopnames, geldt hetzelfde: ook hieruit kan niet worden afgeleid dat verzoekster maandelijks méér geld in handen kreeg dan de door haar erkende NAf 900. Door verweerder zijn verder geen bewijsmiddelen genoemd en is geen nader bewijs aangeboden.
2.2.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet is geslaagd in zijn bewijslevering en dat hij, zoals overwogen onder 4.12 van de tussenbeschikking, terzake het loon nog NAf 6.600 aan verzoekster dient te betalen.
Vakantiedagen
2.3.
Verzoekster is bij de tussenbeschikking toegelaten de bewijzen dat vijf (en niet vier) werkdagen zijn overeengekomen. Dit ter vaststelling van de aan verzoekster toekomende vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen. Verzoekster heeft vervolgens in haar akte het standpunt ingenomen dat voor de berekening niet relevant is of een werkdag uit vier of vijf uur bestond. Verweerder heeft dat in zijn antwoordakte niet bestreden. Het twistpunt terzake het aantal werkuren per kan verder dan ook blijven rusten.
2.4.
Voor de berekening van de aan verzoekster toekomende vergoeding blijft het gerecht bij het in de tussenbeschikking onder 4.16 genoemde aantal van 25 dagen. Bij de berekening zal voorts tot uitgangspunt worden genomen het door [SOAW-ambtenaar] in zijn eindafrekening van 9 mei 2023 in de tweede kolom opgenomen bedrag (NAf 1.443 bij 30 dagen). Dit resulteert in een bedrag van (NAF 1.443 : 30 = NAf 48.10 x 25 =) NAf 1.202,50.
2.5.
Op grond van de tussenbeschikking, waarbij het gerecht voor het overige volhardt, en op grond van het voorgaande, is toewijsbaar:
Loon NAf 6.600
Opzegtermijn NAf 1.100
Cessantia NAf 507,70
Vakantiedagen
NAf 1.202,50 +
NAf 9.410,20
- reeds betaald
NAf 750 -
totaal NAf 8.660,20
De wettelijke verhoging
2.6.
In de tussenbeschikking is onder 4.21 overwogen dat de verzochte wettelijke verhoging over de loonvordering ex artikel 7A:1614q BW zal worden aangehouden. Dat deel van de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat met het oog op de omstandigheden van deze zaak billijk voorkomt de verhoging te beperken tot 15%. De verhoging wordt toegewezen over de componenten Loon, Opzegtermijn en Vakantiedagen (waarbij de door verweerder reeds gedane betaling van NAf 750 in het kader van deze berekening wordt toegerekend aan de Cessantia).
Proceskosten
2.7.
Verweerder zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3.Beslissing

3.1.
veroordeelt verweerder aan verzoekster te betalen NAf 8.660,20, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7A:1614q BW van 15%;
3.2.
veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster begroot op NAf 50 aan griffierecht, NAf 1.000 voor salaris gemachtigde en Naf 250 aan nakosten, in geval van betekening te verhogen met NAf 150, alle bedragen bij uitblijven van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van deze beschikking;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, en in het openbaar uitgesproken.