ECLI:NL:OGEAC:2025:281

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
CUR202500625
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen inzake aanslag inkomstenbelasting en aftrekbare bewonerslasten

In deze zaak is in geschil de hoogte van de zuivere inkomsten uit een woning in Curaçao, die eigendom is van een belanghebbende woonachtig in Nederland. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2021, waarbij de Inspecteur een belastbaar inkomen van NAf 33.633 heeft vastgesteld. De belanghebbende heeft op 14 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de Inspecteur heeft niet tijdig uitspraak gedaan. Op 20 februari 2025 heeft de belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep gegrond is, omdat de Inspecteur niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.

Daarnaast is er een geschil over de aftrekbare bewonerslasten. De belanghebbende stelt dat de zuivere inkomsten uit de woning en het belastbaar inkomen vastgesteld moeten worden op NAf 21.774,12, terwijl de Inspecteur een bedrag van NAf 26.884 bepleit. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de kosten van beheer en resort fees niet volledig in aftrek kunnen worden gebracht, omdat niet voldoende inzicht bestaat in de samenstelling van deze kosten. Het Gerecht heeft de aanslag uiteindelijk verminderd tot een belastbaar inkomen van NAf 26.514 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende.

De uitspraak is gedaan op 17 december 2025, waarbij het Gerecht heeft besloten dat de belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht van NAf 50.

Uitspraak

Uitspraak van 17 december 2025
BBZ nr. CUR202500625
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],wonende te Amsterdam (Nederland),
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 14 april 2023 een aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 33.633, resulterend in een te betalen bedrag aan verschuldigde belasting van NAf 3.348 (hierna: de aanslag).
1.2
Belanghebbende heeft op 14 juni 2023 tegen de aanslag bezwaar gemaakt.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
1.4
De Inspecteur heeft op 8 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.5
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X] (de gemachtigde). Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [B]. Ter zitting is afgesproken dat belanghebbende na de zitting nadere stukken zou opsturen waarop de Inspecteur vervolgens zou kunnen reageren. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven verder niet de behoefte te hebben om daarop weer te reageren. Belanghebbende heeft op 7 oktober 2025 nadere stukken opgestuurd. De Inspecteur heeft daarop op 10 november 2025 gereageerd. Met instemming van partijen heeft het Gerecht het onderzoek vervolgens gesloten.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende is geen ingezetene van Curaçao. Hij woont in Nederland.
2.2
Belanghebbende is eigenaar van een in Curaçao gelegen onroerende zaak [adres] (hierna: de woning).
2.3
Belanghebbende heeft op 2 januari 2022 als buitenlands belastingplichtige aangifte IB 2021 gedaan. Het belastbaar inkomen volgens de aangifte bedraagt -/- NAf 12.564. Het belastbaar inkomen is als volgt samengesteld:
Huuropbrengst woning NAf 51.744
Af: bewonerslasten
NAf 37.650 -/-
Saldo NAf 14.094
Kostenaftrek 35%
NAf 4.933 -/-
Opbrengst voor renteaftrek NAf 9.161
Af: Rente en kosten van geldleningen
NAf 21.725-/-
Zuivere inkomsten uit onroerende zaken NAf 12.564 -/-
2.4
Aan belanghebbende is een aanslag IB 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 33.633. Dit bedrag bestaat uit de huuropbrengsten van de woning (NAf 51.744), verminderd met de kostenaftrek van 35% als bedoeld in artikel 4, lid 3 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB).
2.5
Volgens het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift dienen de (zuivere) inkomsten uit onroerende zaken en het belastbaar inkomen vastgesteld te worden op NAf -/- 1.919.
2.6
Na de zitting heeft belanghebbende op 7 oktober 2025 een nieuwe opstelling overgelegd van de inkomsten uit de woning:
Opbrengst
Totale inkomsten verhuur:
51.744
Vaste kosten:
- internet
2.367,72
- huur meter
6,00
- afvalstoffen
420,00
- kosten beheerder
9.210,64
- resortfees
3.099,00
- rentelasten
-
Totaal vaste kosten
15.103,36
Variabele kosten
- electra
2.375,86
- water
766,13
Totaal variabele kosten
3.141,99
Voordeel uit onroerende zaak
33.498,65
Zuivere opbrengst (65%)
21.774,12
Te betalen belasting
2.122,98

3.GESCHIL

3.1
In geschil is de hoogte van de zuivere inkomsten uit de woning. Daarbij bestaat met name verschil van mening over de hoogte van de aftrekbare bewonerslasten.
3.2
Belanghebbende bepleit een vermindering van de aanslag met vaststelling van de zuivere inkomsten uit de woning en het belastbaar inkomen op NAf 21.774,12 (zie 2.6).
3.3
De Inspecteur bepleit eveneens een vermindering van de aanslag en stelt daarbij dat de zuivere inkomsten uit de woning en het belastbaar inkomen dienen te worden vastgesteld op NAf 26.884, uitgaande van een huuropbrengst van NAf 51.744 minus NAf 526 (internet) – NAf 6 (huur meter) – NAf 93 (afvalstoffen) – NAf 6.410 (kosten beheerder) – NAf 206 (resortfees) – NAf 2.376 (electra) en NAf 766 (water) = NAf 41.361 x 65%.

4.OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen

4.1
Het bezwaarschrift tegen de aanslag is op 14 juni 2023 door de Inspecteur ontvangen.
4.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 14 maart 2024, een uitspraak heeft gedaan.
4.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 14 maart 2025, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
4.4
Belanghebbende heeft op 20 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.
4.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet er evenwel om proces-economische redenen van af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Partijen hebben immers over en weer hun inhoudelijke standpunten uitgewisseld en daarbij bevestigd dat het Gerecht zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak kan doen. Het Gerecht merkt die bevestiging aan als een verzoek van partijen om de zaak niet terug te wijzen naar de bezwaarfase, maar inhoudelijk over de zaak te beslissen.
Inhoudelijk
4.6
Artikel 4, lid 3 LIB bepaalt dat bij het ter beschikking stellen van onroerende zaken aan derden de zuivere opbrengst wordt gesteld op 65% van de ter zake van dat ter beschikking stellen verkregen voordeel en dat geen andere kosten in aanmerking worden genomen dan de rente en kosten van geldlening ter verkrijging of verbetering van onroerende zaken, alsmede de premies voor een aan die lening verbonden met de looptijd dalende overlijdensrisicoverzekering.
4.7
Aan de wetsgeschiedenis van voornoemd artikel (hierna: de Toelichting) ontleent het Gerecht het volgende:
‘Onder “de opbrengsten van het onroerend goed” worden niet verstaan de kosten die de verhuurder al dan niet expliciet aan de huurder in rekening brengt. Zo behoren naar hun aard tot bewonerslasten de kosten van elektra, water en telefoon, de gebruiksbelasting, tuinonderhoud en dergelijke. Deze kosten dienen dan ook in mindering te worden gebracht op de huuropbrengst. Ook de kosten van een makelaar die als beheerder op het verhuurde object toeziet, behoren tot deze kosten. Hetgeen resteert is het voordeel dat de belanghebbende uit het onroerend goed behaalt en waarmee hij de kosten van zijn onroerend goed moet dekken. Op dit voordeel wordt dan de 65%-regeling toegepast.’ [1]
4.8
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat, alvorens de 65%-regeling van artikel 4, lid 3 LIB, wordt toegepast, de bewonerslasten in aftrek op de bruto huuropbrengsten dienen te worden gebracht. Het Gerecht zal hierna nader ingaan op de bruto huuropbrengst en op de daarop in mindering te brengen bewonerslasten en rentekosten.
Bruto huuropbrengst
4.9
Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto huuropbrengst NAf 51.744 bedraagt.
Bewonerslasten
4.1
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt in het onderhavige geval mee dat belanghebbende voor de bewonerslasten de bewijslast draagt. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over de hoogte van het bedrag aan opgevoerde bewonerslasten, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.11
Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende opgevoerde kostenposten aftrekbare bewonerslasten kunnen vormen. Partijen zijn het echter niet eens met over de hoogte van de bedragen die als aftrekposten in aanmerking kunnen worden genomen.
Pro rata
4.12
Belanghebbende heeft bij de berekening van de bewonerslasten een onderscheid gemaakt tussen variabele kosten en vaste kosten (zie 2.6). Variabele kosten zijn de kosten die variëren naarmate gebruik wordt gemaakt van de voorziening waar de kosten op zien. Vaste kosten zijn de kosten die gemaakt worden onafhankelijk van het gebruik van een voorziening. Belanghebbende is van mening dat vaste kosten van het gehele jaar, anders dan variabele kosten, volledig als bewonerslasten in mindering worden gebracht op de huuropbrengsten nu die kosten altijd worden gemaakt, ongeacht eventueel eigen gebruik.
4.13
De Inspecteur heeft aangevoerd dat niet alleen variabele kosten maar ook vaste kosten slechts als bewonerslasten in mindering kunnen worden gebracht op de huuropbrengst naar gelang er sprake is geweest van verhuur van de woning (pro rata toerekening).
4.14
Het Gerecht overweegt als volgt. In de Toelichting (zie 4.7) staat dat onder “de opbrengsten van het onroerend goed” niet worden verstaan de kosten die de verhuurder al dan niet expliciet aan de huurder in rekening brengt. Het Gerecht leidt uit deze passage uit de wetsgeschiedenis af dat kosten slechts als bewonerslasten in mindering op de huuropbrengsten kunnen worden gebracht voor zover ze rechtstreeks aan de huurder in rekening worden gebracht. [2] Het Gerecht is met de Inspecteur van oordeel dat vaste kosten, net zoals variabele kosten, slechts bij de huurder in rekening (zouden) kunnen worden gebracht voorzover ze toegerekend kunnen worden aan de periode dat verhuur heeft plaatsgevonden. Dat de hoogte van de door de eigenaar verschuldigde vaste kosten onafhankelijk is van de tijdsduur dat verhuur plaatsvindt doet daar niet aan af. Het gelijk op dit punt is dan ook aan de Inspecteur in die zin dat ook voor de in aanmerking te nemen vaste kosten een pro rata toerekening dient plaats te vinden.
4.15
Van belang is aldus het aantal dagen dat de woning in 2021 is verhuurd. Belanghebbende heeft gesteld dat de woning in 2021 voor een periode van 145 dagen is verhuurd. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de verhuurperiode niet 145 dagen, maar 81 dagen betreft. Hij heeft dit afgeleid uit de opstelling van belanghebbende van 7 oktober 2025, waarin laatstgenoemde een aantal van 61 dagen aan privé gebruik van de woning noemt.
4.16
Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur de verhuurperiode van 145 dagen niet aannemelijk gemaakt. Enige onderbouwing van die periode ontbreekt. De onderbouwing van de Inspecteur schiet naar het oordeel van het Gerecht eveneens tekort. Redengevend daarvoor is het volgende.
4.17
Tot de gedingstukken behoren facturen van de beheerder, [Y]. In deze maandelijkse facturen staat per maand gespecificeerd vermeld aan wie en voor welke periode de woning in de betreffende maand ter beschikking is gesteld. Hieruit blijkt dat de woning in 2021 190 dagen ter beschikking is gesteld en dat van die 190 dagen 64 dagen ter beschikking is gesteld aan “eigenaar/ familie/vrienden”. Deze dagen worden door belanghebbende als privé dagen aangemerkt. Gelet hierop is naar het oordeel van het Gerecht aannemelijk dat de woning in 2021 voor een periode van 126 dagen (190 -/- 64) is verhuurd aan derden. Dat betekent dat de vaste kosten voor 126/365 als bewonerslasten in aanmerking genomen kunnen worden.
Het Gerecht zal hierna de op de huuropbrengsten in mindering te brengen bewonerslasten per kostenpost behandelen.
Kosten electra, water en huurmeter
4.18
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de aftrekbare kosten van electra NAf 2.376 bedragen, van water NAf 766 en van de huur meter NAf 6.
Kosten internet en afvalstoffen
4.19
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de totale (vaste) kosten van internet NAf 2.367,72 bedragen en die van afvalstoffen NAf 420. Gelet op de pro rata toerekening kan een bedrag van 126/365 x NAf 2.367,72 = NAf 818 aan kosten internet in aftrek worden gebracht en een bedrag van 126/365 x NAf 420 = NAf 145 aan kosten afvalstoffen.
Kosten beheer
4.2
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de totale kosten van beheer NAf 9.210,64 bedragen. Die kosten bestaan voor NAf 250 per maand, dus op jaarbasis NAf 3.000, uit periodieke beheersvergoedingen. Voor het overige (NAf 6.210) betreft het kosten van wassen, eindschoonmaak etc. De Inspecteur heeft dit laatste bedrag geheel aangemerkt als aftrekbare bewonerslasten. Voor wat betreft de maandelijkse beheersvergoedingen heeft de Inspecteur aangevoerd dat daaronder niet-aftrekbare eigenaarslasten kunnen vallen, zoals algemene kosten van administratief en financieel beheer en marketingkosten. Bij gebrek aan nadere gegevens acht de Inspecteur het redelijk om van het bedrag van NAf 3.000 30% als bewonerslasten te beschouwen, waarop vervolgens de pro rata berekening dient plaats te vinden.
4.21
Het Gerecht is van oordeel dat niet voldoende inzicht bestaat in de samenstelling van de kosten van beheer en dat het mogelijk is dat een deel van de maandelijkse beheersvergoeding ziet op eigenaarslasten, zoals door de Inspecteur genoemd. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de onder de kosten van beheer vallende bewonerslasten hoger zijn dan de Inspecteur heeft verdedigd. Dat houdt in dat van de maandelijkse beheersvergoedingen in totaal een bedrag van 126/365 x 3.000 x 30% = NAf 311 als aftrekbare bewonerslast heeft te gelden. Het gehele bedrag aan onder de kosten van beheer vallende aftrekbare bewonerslasten bedraagt dan NAf 6.210 +/+ NAf 311 = NAf 6.521.
Resort fee
4.22
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de resort fee NAf 775 per kwartaal ofwel NAf 3.099 op jaarbasis bedraagt. De Inspecteur heeft echter aangevoerd dat daaronder niet-aftrekbare eigenaarslasten kunnen vallen, zoals onder meer kosten van en dotaties voor groot onderhoud, kosten van aanleg en onderhoud van leidingen en kosten van rioleringen. Omdat belanghebbende geen uitsplitsing van de kosten heeft gemaakt acht de Inspecteur het redelijk om van het bedrag van NAf 3.099 30% als bewonerslasten te beschouwen, waarop vervolgens de pro rata berekening dient plaats te vinden.
4.23
Het Gerecht is van oordeel dat niet voldoende inzicht bestaat in de samenstelling van de resort fees en dat het mogelijk is dat een deel van de resort fee ziet op (onder meer door de Inspecteur genoemde) eigenaarslasten. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de onder de kosten van beheer vallende bewonerslasten hoger zijn dan de Inspecteur heeft verdedigd. Dat houdt in dat van de resort fee van NAf 3.099 een bedrag van 126/365 x 3.099 x 30% = Naf 321 als aftrekbare bewonerslast heeft te gelden.
4.24
Uit het voorgaande volgt dat de aftrekbare bewonerslasten bedragen (in NAf): 2.376 +/+ 766+/+ 6 +/+ 818 +/+ 145 +/+ 6.521 +/+ 321 = NAf 10.953. Deze komen in mindering op de bruto huuropbrengsten van NAf 51.744. De netto huuropbrengsten (voor aftrek op grond van artikel 4, lid 3 LIB) bedragen dan NAf 40.791. Na toepassing van artikel 4, lid 3 LIB bedragen de huuropbrengsten 0,65 x NAf 40.791 = NAf 26.514.
Rentelasten
4.25
De gemachtigde heeft in de stukken van 7 oktober 2025 vermeld dat hij ter zake van de rentekosten geen nadere stukken van belanghebbende heeft ontvangen en hij heeft om die reden in de opstelling van het belastbaar inkomen geen rentelasten meer in aanmerking genomen. Het Gerecht leidt hieruit af dat belanghebbende niet langer aftrekbare rentekosten claimt. Ten overvloede merkt het Gerecht op dat hij tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur de kosten ook niet aannemelijk gemaakt heeft.
Berekening belastbaar inkomen
4.26
Gelet op het voorgaande bedragen de zuivere inkomsten uit de woning NAf 26.514 en dient het belastbaar inkomen tot ditzelfde bedrag verlaagd te worden.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1
Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.
5.2
Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De Inspecteur heeft namelijk niet tegen beter weten in de onderhavige aanslag opgelegd, zodat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten ernstige onzorgvuldigheid.
Kosten beroepsfase
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).
5.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
- verklaart het bezwaar tegen de aanslag IB 2021 gegrond;
- vermindert de aanslag IB 2021 tot naar een belastbaar inkomen van NAf 26.514;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 17 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Toelichting behorende bij de Ministeriele beschikking met algemene werking van 29 juli 2000 houdende wijziging van de LWB 1940, de LIB 1943 en de LLB 1976, P.B. 2000, no. 76, blz. 14-15.
2.Vgl. RBB 24 maart 2014, ECLI:NL:ORBBACM:2014:19 en GEA Curaçao 1 juli 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:173.