Belanghebbende heeft de winstbelasting over 2021 één dag te laat betaald, namelijk op 1 juli 2022 in plaats van uiterlijk 30 juni 2022. De Inspecteur legde een verzuimboete op van NAf 2.152, gebaseerd op een tweede verzuim, aangezien ook in 2017 een verzuimboete was opgelegd.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de boete en stelde dat de boete nihil moest zijn vanwege de geringe vertraging en de Covid-19 ziekte van de directeur. Het Gerecht oordeelde echter dat er geen sprake was van afwezigheid van alle schuld, omdat belanghebbende al op 21 juni 2022 op de hoogte was van de positieve Covid-19 test en maatregelen had kunnen treffen, zoals het aanvragen van uitstel.
Het Gerecht achtte de boete passend maar vond een vermindering van 15% op zijn plaats, waardoor de boete werd vastgesteld op NAf 1.829. Tevens werd het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende vergoed. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat geen sprake was van begunstigend beleid.