ECLI:NL:OGEAC:2026:124

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
CUR2025004488 tot en met CUR2025004490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 2 ALLArt. 31 lid 1 ALLArt. 16 lid 1 ALLArt. 17 lid 1 ALLArt. 21 lid 5 ALL
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht bevestigt tijdige oplegging naheffingsaanslagen en boetes over 2018

Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen en boetes voor omzetbelasting en premies over 2018, opgelegd op 20 december 2023. Het bezwaar werd ingediend op 15 maart 2024, maar de Inspecteur nam geen tijdige beslissing. Belanghebbende stelde daarom beroep in wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.

Het Gerecht oordeelt dat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is, omdat de Inspecteur niet binnen de wettelijke termijnen heeft beslist. Desondanks ziet het Gerecht om proces-economische redenen af van het opleggen van een beslissing op bezwaar, aangezien partijen hun standpunten reeds hebben uitgewisseld.

Ten aanzien van de hoofdvraag of de naheffingsaanslagen en boetes tijdig zijn opgelegd, concludeert het Gerecht dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagbiljetten op 8 december 2023 in het systeem van de Landsontvanger zijn verwerkt en binnen de wettelijke termijn aan C-Post zijn aangeboden. Belanghebbende heeft dit standpunt ter zitting prijsgegeven. Hierdoor zijn de aanslagen en boetes tijdig opgelegd.

De naheffingsaanslagen en boetes worden derhalve gehandhaafd. Het Gerecht veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het beroep wegens niet tijdig beslissen en draagt de Inspecteur op het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard, het bezwaar ongegrond en de naheffingsaanslagen en boetes worden gehandhaafd.

Uitspraak

Uitspraak van 27 juli 2026
BBZ nrs. CUR2025004488 tot en met CUR2025004490
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 20 december 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over het jaar 2018 opgelegd van NAf 16.863. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van NAf 4.215 (25%).
1.2
Aan belanghebbende is op 20 december 2023 een naheffingsaanslag premies AOV/AWW over het tijdvak december 2018 opgelegd van NAf 259. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van NAf 64 (25%).
1.3
Aan belanghebbende is op 20 december 2023 een naheffingsaanslag premie BVZ over het tijdvak december 2018 opgelegd van NAf 194. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van NAf 24 (12,5%).
1.4
Belanghebbende heeft op 15 maart 2024 tegen de in 1.1 tot en met 1.3 genoemde naheffingsaanslagen en boetes bezwaar gemaakt.
1.5
Belanghebbende heeft op 4 november 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.6
De Inspecteur heeft op 7 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen N. Boswijk, verbonden aan [X] Curaçao. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [A].
1.8
De behandeling van het beroep is aangehouden om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen nader bewijs te overleggen.
1.9
De Inspecteur heeft op 13 mei 2026 nadere stukken ingediend.
1.1
Belanghebbende heeft hier op 20 mei 2026 op gereageerd. De Inspecteur heeft hier vervolgens op diezelfde dag weer op gereageerd.
1.11
Het Gerecht heeft op 17 juli 2026 het onderzoek gesloten en uitspraak aangekondigd.
2. FEITEN
2.1
Belanghebbende is opgericht op 5 augustus 1992. De activiteiten van belanghebbende bestaan o.a. uit de import en groothandel in levensmiddelen, alcoholische en niet alcoholische dranken en genotsartikelen, huishoudelijke artikelen en scheepsbenodigdheden.
2.2
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld.

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of de naheffingsaanslagen en boetes OB en premies AOV/AWW en BVZ over het jaar 2018 tijdig zijn opgelegd.
3.2
Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen

2.1
Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen en boetes OB en premies AOV/AWW en BVZ 2018 is op 15 maart 2024 door de Inspecteur ontvangen.
2.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 15 december 2024, een uitspraak heeft gedaan.
2.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden na voormelde periode van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op 15 december 2025, beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.4
Belanghebbende heeft op 4 november 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.
2.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Partijen hebben immers over en weer hun inhoudelijke standpunten uitgewisseld.
Ontvankelijkheid bezwaar
2.6
De Inspecteur heeft de stelling van belanghebbende dat zij eerst op 6 februari 2024 (OB 2018) en 6 maart 2024 (premies AOV/AWW en BVZ 2018) bekend is geworden met de naheffingsaanslagen en boetes niet betwist. Gelet daarop is het op 15 maart 2024 ingediende bezwaar ontvankelijk.
Tijdigheid vaststelling naheffingsaanslagen en boetes
2.7
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en boetes niet tijdig zijn opgelegd, omdat zij het aanslagbiljet OB 2018 eerst op 6 februari 2024 heeft ontvangen. De aanslagbiljetten premies AOV/AWW en BVZ 2018 heeft zij nimmer ontvangen. Het Gerecht overweegt als volgt.
2.8
Ingevolge artikel 16, lid 1 van de ALL kan de Inspecteur, indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen niet of niet volledig is betaald, de niet of te weinig betaalde belasting naheffen door middel van een naheffingsaanslag ten name van degene die de belasting had behoren te betalen.
2.9
Ingevolge artikel 17, lid 1 van de ALL vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Voor de bevoegdheid tot het opleggen van de boete geldt ingevolge artikel 21, lid 5 van de ALL dezelfde termijn.
2.1
Als hoofdregel voor het antwoord op de vraag of een (naheffings)aanslag of een boete tijdig is opgelegd, geldt dat de dagtekening van het aanslagbiljet beslissend is. [1] De dagtekening van het onderhavige aanslagbiljet is 20 december 2023. De hoofdregel lijdt echter uitzondering indien de aanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet aan het juiste adres de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Indien het aanslagbiljet als gevolg van een aan de belastingadministratie te verwijten onjuiste adressering door de belastingplichtige niet binnen de termijn is ontvangen, geldt als datum van terpostbezorging de datum van verzending aan het juiste adres. [2] De Inspecteur heeft de bewijslast met betrekking tot het tijdstip van de bekendmaking van de aanslag. [3]
2.11
De Inspecteur heeft omtrent de bekendmaking van de naheffingsaanslagen en boetes gesteld dat deze tijdig (uiterlijk 31 december 2023) is geweest en daartoe aanslagoverzichten overgelegd. Hieruit blijkt dat de naheffingsaanslagen en boetes premies AOV/AWW en BVZ 2018 en OB 2018 met respectievelijk kohiernummer [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] op 30 november 2023 in het geautomatiseerde systeem van de Inspecteur der Belastingen zijn verwerkt. De Inspecteur heeft daarnaast “aanbiedingsbrieven” aan de Ontvanger overgelegd, waarop wordt vermeld dat hij de kohieren met voornoemde nummers aan de Ontvanger doet toekomen, met daarbij een stempel van de “Inspectie der Belastingen Curaçao” en een stempel van “1 DEC 2023”. Tenslotte heeft de Inspecteur gesteld dat, na verwerking in het systeem van de Landsontvanger, in het onderhavige geval op 8 december 2023, de aanslagbiljetten in de praktijk binnen drie dagen aan C-post worden doorgegeven ter verzending aan het adres van belanghebbenden.
2.12
Vaststaat dat de Inspecteur gebruik heeft gemaakt van de juiste adresgegevens.
Ter zitting is afgesproken dat de Inspecteur alsnog in de gelegenheid gesteld wordt om bewijs te leveren van de verwerking op 8 december 2023 van de aanslagbiljetten in het systeem van de Landsontvanger. Daarbij heeft belanghebbende verklaard dat, als dat bewijs geleverd wordt, zij aannemelijk acht dat de aanslagbiljetten binnen drie dagen daarna (maar in ieder geval uiterlijk 31 december 2023) ter post zijn bezorgd en de naheffingsaanslagen en boetes dus tijdig zijn opgelegd. De Inspecteur heeft tegelijkertijd verklaard dat hij, als dat bewijs niet geleverd wordt, het standpunt van belanghebbende dat de naheffingsaanslagen en boetes te laat zijn opgelegd, volgt.
2.13
De Inspecteur heeft op 13 mei 2026 nader bewijs overgelegd in de vorm van een drietaal schermprints. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Inspecteur hiermee, anders dan belanghebbende in haar reactie heeft gesteld, de verwerking van de aanslagbiljetten op 8 december 2023 in het systeem van de Landsontvanger aannemelijk gemaakt. Het betreffen immers schermprints die, gelet op de omschrijving bovenaan de prints (“GOS Invordering”), uit het systeem van de Landsontvanger afkomstig zijn en waarop per aanslagbiljet (OB, AOV/AWW en BVZ 2018) de naheffingsaanslagen en boetes vermeld staan en tevens (onder het hoofdje “status”) de acties/handelingen van de ontvanger. Als eerste handeling is genoemd “Aanslag - Aktief”, met de datum “8-12- 2023”, waaruit naar het oordeel van het Gerecht blijkt dat op 8 december 2023 de naheffingsaanslagen en boetes in het systeem van de Landsontvanger zijn opgenomen.
2.14
De gemachtigde van belanghebbende heeft verder in haar reactie gesteld dat de Inspecteur hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagbiljetten tijdig aan C-Post zijn aangeboden. Het Gerecht is van oordeel dat voornoemde stelling niet meer aan de orde kan worden gesteld. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende dit standpunt immers, zoals in 2.12 is vastgesteld, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven. Los daarvan is het in strijd met de goede procesorde als een van de partijen, in dit geval belanghebbende, na de zitting ongevraagd terugkomt op ter zitting door partijen in onderling verband gemaakte afspraken (zie 2.12). Dit geldt temeer nu belanghebbende ter zitting werd vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde van wie aldus verwacht mag worden dat zij de gevolgen van haar antwoorden ter zitting kon overzien.
2.15
Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen en boetes tijdig zijn opgelegd. Voor dat geval bestaat over de hoogte van de naheffingsaanslagen en boetes geen geschil.
Conclusie
2.16
Doende wat de Inspecteur behoorde te doen, zal het Gerecht de naheffingsaanslagen en boetes OB en premies AOV/AWW en BVZ 2018 handhaven.

3.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

3.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De naheffingsaanslagen en boetes zijn naar het oordeel van het Gerecht niet, zoals is vereist in artikel 32a, lid 2 ALL, door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd.
Kosten beroepsfase
3.2
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met het beroep niet tijdig beslissen redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
3.5
In artikel 1 van Pro dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 700 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 0,5 (beroep niet tijdig beslissen)). Het Gerecht overweegt hierbij dat de gemachtigde één beroepschrift heeft ingediend zodat sprake is van één zaak in de zin van voormeld Besluit, ook al betreft het meerdere zaken (vgl. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953).
Griffierecht
3.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 150 aan belanghebbende te vergoeden.

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
  • verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
  • verklaart het bezwaar ongegrond;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 700; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 27 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Vgl. HR 7 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1601.
2.Vgl. HR 6 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4175, BNB 1990/177.
3.Vgl. GHvJ 10 maart 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:85, (stilzwijgend) bevestigd in HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50.