ECLI:NL:OGEAC:2026:81

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
CUR202504469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 Algemene landsverordening LandsbelastingenHR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag winstbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende kreeg op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting 2019 opgelegd met een verzuimboete. Het bezwaar werd pas op 26 februari 2025 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van twee maanden. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en weigerde vermindering van aanslag en boete.

Belanghebbende stelde pro forma beroep in en diende later een motivering in. De Inspecteur bood aan de aanslag ambtshalve te verminderen naar nihil en de boete te verlagen. Tijdens de zitting op 4 juni 2026 werd de ontvankelijkheid van het bezwaar centraal gesteld.

Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen verschoonbare omstandigheden waren gesteld. De inhoudelijke beoordeling van de aanslag en boete kon daardoor achterwege blijven. De redelijke termijn voor de behandeling van de boete werd niet overschreden vanwege de late indiening van het bezwaar, een omstandigheid die niet aan de Inspecteur of het Gerecht kan worden toegerekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen twee maanden.

Uitkomst: Het Gerecht verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wijst het beroep ongegrond.

Uitspraak

Uitspraak van 12 juni 2026
BBZ nr. CUR202504469
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting (WB) over het jaar 2019 opgelegd van NAf 18.000. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd van NAf 2.700.
1.2
Belanghebbende heeft op 26 februari 2025 tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak van 5 september 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en ook ambtshalve geen aanleiding gezien de naheffingsaanslag en verzuimboete te verminderen.
1.4
Belanghebbende heeft op 4 november 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. Op 20 januari 2026 heeft belanghebbende een motivering van haar beroep ingediend.
1.5
De Inspecteur heeft op 27 mei 2026 een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift heeft de Inspecteur te kennen gegeven de naheffingsaanslag naar aanleiding van de alsnog door belanghebbende ingediende aangifte (ambtshalve) te verminderen naar nihil en de verzuimboete naar NAf 2.500.
1.6
Belanghebbende heeft op 3 juni 2026 een pleitnota ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen [A] en [B]. Namens de Inspecteur is verschenen [C] LLM.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Alvorens tot een eventuele inhoudelijke beoordeling van het geschil te kunnen overgaan, dient het Gerecht de ontvankelijkheid van belanghebbendes bezwaar te beoordelen.
2.2
In artikel 29, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
2.3
Het onderhavige aanslagbiljet WB 2019 heeft als dagtekening 30 juni 2021. Het bezwaarschrift is op 26 februari 2025 ingediend en daarmee buiten de wettelijke termijn van twee maanden. Feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zijn gesteld noch gebleken. Dat betekent dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het Gerecht komt in dat geval niet toe aan een inhoudelijke boordeling. Het beroep is ongegrond.
2.4
Het Gerecht merkt verder op dat de Inspecteur ter zitting heeft toegezegd te zullen nagaan of er aanleiding bestaat de verzuimboete (verder) ambtshalve te verminderen en belanghebbende hierover binnen een week na afloop van de zitting te zullen berichten.
Overschrijding redelijke termijn
2.5
Het Gerecht dient met betrekking tot de boete ambtshalve te beoordelen of inbreuk is gemaakt op het recht van belanghebbende op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. [1]
2.6
Van de oplegging van de verzuimboete (30 juni 2021) tot de onderhavige uitspraak van het Gerecht (11 juni 2026) zijn meer dan twee jaar verstreken. Echter, in dit geval is sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding vormt voor een verlenging van de redelijke termijn, te weten het feit dat belanghebbende buiten de termijn in bezwaar is gekomen, hetgeen een omstandigheid is die van invloed is op de duur van de behandeling, maar die niet kan worden toegerekend aan de Inspecteur of het Gerecht (vgl. Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516). Het aanslagbiljet met de verzuimboete heeft als dagtekening 30 juni 2021. Het bezwaarschrift is ingediend op 26 februari 2025, derhalve bijna 3,5 jaar te laat. Rekening houdend met deze bijzondere omstandigheid acht het Gerecht geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn (vgl. GEA Curaçao 16 oktober 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:209).

3.PROCESKOSTEN

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en/of het griffierecht.

4.DE BESLISSING

Het Gerecht
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.