De werknemer trad in 2005 in dienst bij de werkgever als hoofd van de productieafdeling met een bruto maandsalaris van Nafl. 8.828,00. In 2015 ontstonden verdenkingen tegen de werknemer wegens vermeende verduistering van onderdelen van oude generatoren, waarna hij werd ondervraagd, geschorst en op staande voet ontslagen. De werknemer ontkent de beschuldigingen.
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden indien het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig blijkt. De werknemer verzoekt afwijzing of toekenning van een vergoeding bij ontbinding. Het Gerecht constateert dat het onderzoek van de werkgever gebreken vertoont, zoals het ontbreken van een schriftelijke oproeping, geen opname van het verhoor en onvoldoende gelegenheid voor de werknemer om te reageren.
Hoewel de werknemer een voorschot op een verkoopbedrag erkent, ontbreekt een sluitende verklaring over de verdwenen koelers. Gezien de ernst en het langdurige dienstverband acht het Gerecht voortzetting van het dienstverband onhoudbaar. Het ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van veranderde omstandigheden, stelt een vergoeding van circa Nafl. 57.500,00 bruto vast en geeft de werkgever een intrekkingstermijn voor het verzoek.
Partijen dragen hun eigen proceskosten. De definitieve beoordeling over het ontslag op staande voet blijft voorbehouden aan de bodemprocedure.