Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.A.M. BRANDON,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.M. HOFMAN-RUIGROK.
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De werkneemster was sinds januari 2018 werkzaam als kassière bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die eindigde in mei 2020. Op 5 maart 2020 werd zij op staande voet ontslagen wegens kastekorten van in totaal USD 3.018,73 over een periode van december 2019 tot februari 2020. De werkneemster betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en stelde dat zij niet verantwoordelijk was voor de kastekorten, mede vanwege het ontbreken van camerabeelden en onvoldoende gelegenheid om zich te verweren.
De werkgever stelde dat de werkneemster voor de betreffende periode goed functioneerde en dat de kastekorten waren vastgesteld na het vervangen van een defecte server. De werkgever had de documentatie van de kastekorten aan de werkneemster getoond en het ontslag op staande voet was volgens haar gerechtvaardigd. Het gerecht oordeelde dat het ontslag op staande voet wegens verjaring niet meer kon worden aangevochten, maar dat het wel moest beoordelen of het handelen van de werkgever onrechtmatig was.
Het gerecht concludeerde dat de werkgever voldoende bewijs had geleverd van de kastekorten en dat de werkneemster dit niet voldoende had weerlegd. Het ontbreken van camerabeelden deed hier niet aan af omdat andere bewijsstukken overtuigend waren. Er was geen sprake van onrechtmatig handelen van de werkgever. De vorderingen van de werkneemster werden afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van het resterende kastekort van USD 1.805,22 met wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de werkneemster worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van het resterende kastekort aan de werkgever.