De werknemer, sinds 1987 in dienst bij de werkgever als supervisor, verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding wegens veranderde omstandigheden. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst reeds was geëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en betwistte het recht op vergoeding.
In deze ontbindingsprocedure kan het gerecht niet vaststellen of de arbeidsovereenkomst nog bestaat; dat is voorbehouden aan de bodemprocedure. Het gerecht besloot daarom de ontbinding voorwaardelijk toe te wijzen, aangezien partijen een verdere samenwerking niet zagen zitten.
Het gerecht oordeelde dat geen vergoeding toekomt omdat de werknemer 64 jaar is en AOV-pensioen ontvangt, en aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd of spoedig zal eindigen. De loondoorbetalingsverplichting en andere materiële rechtsvragen worden verwezen naar de bodemprocedure.
De ontbindingsverzoek werd toegewezen zonder vergoeding en zonder proceskostenveroordeling. De beschikking werd uitgesproken op 30 juni 2021 door rechter A.J.J. van Rijen.