Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.M. HOFMAN-RUIGROK,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De werknemer was sinds 11 augustus 2018 in dienst als manager bij de werkgever. Na een schorsing met behoud van loon vanaf 30 oktober 2020 en een beëindigingsvoorstel door de werkgever, ontstond een geschil over het voortduren van de arbeidsovereenkomst.
Het Gerecht stelt vast dat de procedure uitsluitend gaat over de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de billijke vergoeding, niet over de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet eerder is geëindigd. De langdurige werkonderbreking en het ontbreken van samenwerking tussen partijen vormen een veranderde omstandigheid die de ontbinding rechtvaardigt.
De werkgever moet aan de werknemer een vergoeding betalen op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor van 1,5, vanwege het ontbreken van een eerlijk proces en het feit dat de werkgever de werknemer niet de kans gaf het werk te hervatten. De vergoeding bedraagt NAf. 48.553,00 bruto, te betalen binnen 14 dagen na definitieve uitspraak van de bodemrechter.
De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten van de werknemer. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is niet mogelijk.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met een billijke vergoeding van NAf 48.553,00 aan de werknemer.