ECLI:NL:OGEAM:2026:14

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
EJ288/2025SXM202501195
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht verklaart zich onbevoegd wegens wijziging gewone verblijfplaats minderjarige kinderen naar Nederland

De man en vrouw hadden een affectieve relatie die in 2019 werd verbroken, waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. De vrouw had het eenhoofdig gezag en verhuisde in oktober 2025 met de kinderen naar Nederland. De man verzocht het Gerecht om gezamenlijk gezag, herberekening van kinderalimentatie en teruggave van persoonlijke eigendommen.

De vrouw betoogde dat het Gerecht onbevoegd was omdat zij en de kinderen in Nederland wonen. Het Gerecht toetste de rechtsmacht aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bepalend is.

Aangezien de kinderen sinds oktober 2025 in Nederland wonen, daar naar school gaan, medische zorg ontvangen en familie hebben, is hun gewone verblijfplaats Nederland. De verhuizing zonder toestemming van de man is geoorloofd omdat de vrouw het eenhoofdig gezag heeft. De afstand bemoeilijkt de omgang, maar verandert niets aan de bevoegdheid.

Het Gerecht verklaart zich daarom onbevoegd om de verzoeken te behandelen. Tegen deze beschikking kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Het Gerecht verklaart zich onbevoegd omdat de moeder en minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Uitspraak

Gerecht verklaart zich onbevoegd omdat de moeder en de kinderen hun gewone verblijfplaats inmiddels in Nederland hebben

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Registratienummer: EJ288/2025/SXM202501195
Beschikking van 26 januari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te Sint Maarten,
verzoeker, hierna ook: de man,
tegen
[verweerster],
wonende in Nederland,
verweerster, hierna ook: de vrouw.

1.Het verloop van de rechtszaak

1.1.
Verzoeker heeft op 7 november 2025 een verzoekschrift met producties bij de griffie ingediend. Het verzoek is behandeld op de besloten zitting van 12 januari 2026, zonder publiek. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerster een verweerschrift met zelfstandig verzoek met producties en een akte wijziging verzoek met producties ingediend. Op de zitting heeft de rechter gesproken met:
- verzoeker;
- verweerster (online);
- mevr. V. Daniel-Lozandier en mevr. A. Hanson-Trustfull van de Voogdijraad.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, die in 2019 is verbroken.
2.2.
Uit de relatie van partijen zijn twee minderjarige kinderen geboren:
- [ kind1], geboren op [dag/maand] 2015 te Sint Maarten;
- [ kind2], geboren op [dag/maand] 2016 te Sint Maarten.
2.3.
De vrouw heeft van rechtswege het gezag over de minderjarigen. De man heeft de minderjarigen erkend.
2.4.
Bij beschikking van 25 maart 2024 heeft het Gerecht een omgangsregeling, een informatie- en consultatieregeling en een bedrag aan kinderalimentatie vastgesteld. Het verzoek van de man om het gezag voortaan gezamenlijk uit te oefenen, is bij die beschikking afgewezen.
2.5.
De vrouw is op 22 oktober 2025 met de minderjarigen naar Nederland verhuisd.

3.Het verzoek, het verweer, het tegenverzoek en het advies van de Voogdijraad

3.1.
De man verzoekt het Gerecht om te bepalen dat partijen het gezag over de minderjarigen voortaan gezamenlijk zullen uitoefenen. Verder verzoekt de man hercalculatie van de kinderalimentatie en teruggave van enkele persoonlijke eigendommen.
3.2.
De man legt aan de verzoeken ten grondslag dat de vrouw zonder overleg en zonder toestemming met de kinderen is verhuisd naar Nederland, waardoor de omgangsregeling niet meer nagekomen wordt en de berekening van de kinderalimentatie achterhaald is. De man vreest nog verder uit het leven van de kinderen gebannen te worden, terwijl hij juist betrokken wil zijn bij hun leven. Hij wil de belangrijke beslissingen in gezamenlijkheid nemen. De man maakt zich zorgen over het welbevinden van de kinderen in de zorg van de vrouw.
3.3.
De vrouw heeft hier tegenin gebracht dat het Gerecht onbevoegd is om het geschil te beoordelen, omdat zij met de kinderen in Nederland woont. Subsidiair heeft zij verzocht om de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hierop al is beslist bij de eerdere beschikking. Daarnaast verzoekt zij bij tegenverzoek (zo begrijpt het Gerecht) om de man te veroordelen tot het vernietigen van privé foto’s, om aan de man een verbod op te leggen om zonder toestemming van de vrouw of het Gerecht nieuwe procedures te starten over zaken waarover al is beslist, op straffe van een dwangsom, en om de man te veroordelen tot betaling van achterstallige kinderalimentatie en andere kosten.

4.De redenen voor de beslissing

4.1.
Deze zaak heeft een interregionale component, omdat de vrouw en de kinderen in Nederland verblijven. De vrouw heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van het Gerecht in Sint Maarten om de zaak te beoordelen. Het Gerecht zal daarom, zoals ook op de zitting is meegedeeld, eerst beoordelen of het rechtsmacht heeft.
4.2.
Het Gerecht dient bij de beantwoording van de vraag of hem in een geval van interregionale aard rechtsmacht toekomt, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht (HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063, NJ 2014/468). Het Gerecht zal daarom aansluiting zoeken bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, waarbij Sint Maarten partij is. Op grond van artikel 1 van Pro dat Verdrag is ter zake van maatregelen die strekken tot de bescherming van persoon of goed van de minderjarige, zoals gezagsbeslissingen, de rechter bevoegd van het land waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft.
4.3.
Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 17 juni 2011: ECLI:NL:HR:2011:BQ4833) wordt aan het feitelijk begrip “gewone verblijfplaats van het kind” inhoud gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
4.4.
Gebleken is dat de vrouw en de minderjarigen Sint Maarten in oktober 2025 hebben verlaten om zich in Nedeland te vestigen. Enkele dagen na aankomst hebben zij zich aldaar ingeschreven. Het centrum van het leven van de minderjarigen bevindt zich sindsdien in Nederland. Zij gaan daar naar school, naar sport en staan onder medische behandeling voor hun aandoeningen. Ook woont er veel familie in Nederland. Het Gerecht neemt daarom aan dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
De omstandigheid dat de vrouw zonder toestemming van de man wijziging heeft gebracht in de woonplaats van de minderjarigen, maakt het voorgaande niet anders. Omdat de vrouw het eenhoofdig gezag over de minderjarigen heeft, behoefde zij die toestemming niet en is dus geen sprake van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen (vergelijk Gemeenschappelijk Hof van Justitie 21 augustus 2018, ECLI:NL:OGHACMB: 2018:167 en Gemeenschappelijk Hof van Justitie 11 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB: 2022:239).
Het gegeven dat de moeder door deze verhuizing het recht van de vader op omgang met de minderjarigen bemoeilijkt heeft, gegeven de grote afstand tussen Sint Maarten en Nederland, is evenmin reden om anders te oordelen. Gebleken is overigens dat de vrouw wel degelijk getracht heeft in overleg te treden met de man in de maanden voorafgaand aan de voorgenomen verhuizing, daarmee uitvoering gevend aan haar informatie- en consultatieplicht. Van een rauwelijks vertrek was dus geen sprake.
4.5.
Gelet op het vorenstaande acht het Gerecht zich onbevoegd om te oordelen over de verzoeken.

5.De beslissing

Het Gerecht:
verklaart zich onbevoegd om van de verzoeken kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, rechter bij dit Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen zes weken, te rekenen van de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.
Summary of the Judgment
This summary is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.
Considerations
Pursuant to Article 1 of the Hague Convention on the Protection of Children (1961), in matters relating to measures for the protection of the person or property of the minor, such as decisions on custody, the court of the country where the minor has his or her habitual residence has jurisdiction.
The Court finds that the minors have their habitual residence in the Netherlands.
The fact that the woman changed the minors' place of residence without the man's consent does not alter the above. Because the woman has sole custody of the minors, she did not need that consent and therefore there is no question of an unlawful transfer of the minors.
The fact that the mother's move has made it difficult for the father to exercise his right of access to the minors, given the considerable distance between Sint Maarten and the Netherlands, is not a reason to rule otherwise.
In view of the above, the Court considers that it does not have jurisdiction to rule on the requests.
The Court:
declares that it has no jurisdiction to rule on the requests.
Appeal against this judgment can be initiated within six weeks of the date of the judgment or after notification thereof or after the decision has become known to the interested party.