Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAM:2026:69

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
SXM202501260-LAR00183/2025, SXM202501322-LAR00192/2025
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 VergunningslandsverordeningLandsverordening administratieve rechtspraakResidential Economic Policy
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid waarschuwing en afwijzing entertainmentvergunning beach bar in Sint Maarten

Eiseres exploiteert een beach bar/restaurant in Simpson Bay en verzocht om een exploitatievergunning inclusief toestemming voor entertainmentactiviteiten. De exploitatievergunning werd verleend met voorwaarden, waaronder een geluidslimiet van 60 dB(A) en toestemming voor achtergrondmuziek.

Tijdens een inspectie op 19 oktober 2025 werd vastgesteld dat eiseres zonder toestemming DJ-optredens organiseerde en de geluidsnorm overschreed, wat leidde tot een formele waarschuwing. Het verzoek om een entertainmentvergunning werd afgewezen vanwege klachten over geluidsoverlast en het niet naleven van vergunningvoorwaarden.

Het Gerecht oordeelde dat de waarschuwing gelijkgesteld moet worden aan een beschikking en dat eiseres de voorwaarden van de vergunning diende na te leven. De afwijzing van het entertainmentverzoek was redelijk, mede door de overtredingen en klachten. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De waarschuwing en de afwijzing van het entertainmentverzoek zijn rechtmatig en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Uitspraakdatum: 15 juni 2026
Zaaknummers: SXM202501260-LAR00183/2025
SXM202501322-LAR00192/2025

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In de gedingen van:

[eiseres],

eiseres,
gemachtigde: mr. M.M. HOFMAN-RUIGROK,
tegen
DE MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERKEER EN TELECOMMUNICATIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigden: mr. D.I. SCHRAM en mr. R.F. GIBSON jr.,

Procesverloop

Inzake SXM202501260-LAR00183/2025
Bij brief van 22 oktober 2025 (hierna: de waarschuwing) heeft verweerder aan eiseres een formele waarschuwing gegeven.
Bij pro forma beroepschrift (met productie) van 26 november 2025 heeft eiseres bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de waarschuwing. Bij aanvullend beroepschrift (met producties) van 6 januari 2026 zijn de gronden ingediend.
Verweerder heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift (met producties) ingediend.
Inzake SXM202501322-LAR00192/2025
Bij beschikking van 4 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toestemming te verlenen voor het aanbieden van shows en andere vormen van entertainment, alsmede voor het bieden van gelegenheid tot dansen, afgewezen.
Bij beroepschrift (met producties) van 10 december 2025 heeft eiseres bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.
Verweerder heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift (met producties) ingediend.
In beide zaken
Bij brief van 11 mei 2026 heeft eiseres aanvullende producties in het geding gebracht.
De beroepen zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van 18 mei 2026. Namens eiseres zijn mevrouw [a] en de heer [b] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mevrouw [naam hoofd], Hoofd Dienst economische vergunningen, en de heer [naam Head], Head of Inspectorate of TEATT, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Eiseres heeft pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.
Eiseres exploiteert een beach bar/restaurant genaamd [naam onderneming], gelegen aan de Simpson Bay Road #119 te Simpson Bay (hierna: de locatie).
1.2.
Eiseres heeft op 21 maart 2025 bij verweerder een verzoek ingediend om verlening van een vergunning voor de exploitatie van een Restaurant A/Coffee House op de locatie. Daarbij heeft zij tevens verzocht om toestemming voor het aanbieden van muziek, shows en andere vormen van entertainment, alsmede voor het bieden van gelegenheid tot dansen (hierna: het entertainmentverzoek).
1.3.
Bij brief van 18 juli 2025 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat haar aanvraag voor een exploitatievergunning is gepubliceerd overeenkomstig de Vergunningslandsverordening, maar dat het entertainmentverzoek abusievelijk niet in deze publicatie was opgenomen. Dit onderdeel van de aanvraag zal daarom alsnog zo spoedig mogelijk worden gepubliceerd. Verweerder heeft eiseres voorts bericht dat de gevraagde exploitatievergunning zal worden verleend met toestemming voor achtergrondmuziek, in afwachting van een definitieve beslissing op het entertainmentverzoek.
1.4.
Bij beschikking van 18 juli 2025, bekendgemaakt op 29 juli 2025, heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend voor de exploitatie van een Restaurant A/Coffee House op de locatie (hierna: de exploitatievergunning). Deze vergunning is, voor zover hier van belang, verleend onder de volgende voorwaarden:
- de sluitingstijd is vastgesteld om 00:00 uur (middernacht); en
- toestemming is verleend voor achtergrondmuziek, onder de voorwaarde dat deze geen hinder veroorzaakt in de directe omgeving en buiten het etablissement een geluidsniveau van 60 decibel (dB) niet overschrijdt.
1.5.
Op 22 oktober 2025 heeft eiseres de waarschuwing (‘formal warning’) ontvangen. Daarin stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening heeft overtreden, alsmede het in de exploitatievergunning opgenomen maximale geluidsniveau. Volgens de waarschuwing is tijdens een inspectiecontrole op 19 oktober 2025, gedurende het op de locatie gehouden evenement ‘[naam evenement]’, een gemiddeld geluidsniveau van 74,5 dB(A) gemeten. Tijdens dit evenement vond bovendien zonder de vereiste toestemming live entertainment plaats in de vorm van een DJ-optreden, waarbij versterkte muziek ten gehore werd gebracht en gelegenheid werd geboden tot dansen.
1.6.
Bij beschikking van 4 december 2025 heeft verweerder het entertainmentverzoek afgewezen. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven dat weliswaar geen formele bezwaren zijn ingediend binnen de publicatietermijn, maar dat sinds augustus 2025 diverse klachten zijn ontvangen ter zake van overlast en geluidshinder. Daarnaast heeft verweerder gewezen op het volgens hem niet naleven van de aan eiseres verleende exploitatievergunning. Om die reden heeft verweerder het entertainmentverzoek afgewezen, met dien verstande dat op grond van de exploitatievergunning wel toestemming bestaat voor het ten gehore brengen van achtergrondmuziek onder de daaraan verbonden voorwaarden.
Is de waarschuwing aan te merken als een beschikking?
2.1.
Het Gerecht ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de waarschuwing met een beschikking als bedoeld in de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) moet worden gelijkgesteld. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
2.2.
Het Gerecht stelt vast dat de waarschuwing zoals hier aan de orde niet berust op een wettelijk voorschrift. De Vergunningslandsverordening noch enig ander wettelijk voorschrift voorziet in de bevoegdheid om een dergelijke waarschuwing op te leggen. De waarschuwing vindt haar grondslag in het door verweerder gevoerde sanctiebeleid, zoals neergelegd in de Residential Economic Policy (hierna: de REP). Daarin is bepaald dat bij een eerste en tweede overtreding een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven en dat bij een volgende overtreding zwaardere sancties kunnen worden opgelegd, waaronder (tijdelijke) sluiting van de onderneming en intrekking van de exploitatievergunning.
2.3.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwing in beginsel geen besluit is waartegen zelfstandig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Er zijn echter situaties waarin een dergelijke waarschuwing voor de rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld, zodat zij wel in rechte kan worden bestreden. Die situatie doet zich voor indien de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over die waarschuwing te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Dat is onder meer zo als de termijn gedurende welke de waarschuwing negatieve gevolgen kan hebben zodanig lang is dat een belanghebbende, gelet op de aan de orde zijnde overtreding, in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Om bewijsnood te voorkomen en om redenen van rechtszekerheid moet voor deze waarschuwingen een maximale termijn van (als regel) twee jaar gelden. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484, en 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1276.
2.4.
Het Gerecht stelt vast dat uit de REP volgt dat een gegeven waarschuwing wordt betrokken bij de beslissing om bij een volgende overtreding zwaardere sancties op te leggen. De waarschuwing kan derhalve gevolgen hebben voor de rechtspositie van eiseres bij toekomstige handhavingsbesluiten. Voorts stelt het Gerecht vast dat noch in de waarschuwing, noch in de REP een maximale geldigheidsduur van de waarschuwing is opgenomen. Dit betekent dat de waarschuwing voor onbepaalde tijd betekenis kan behouden binnen het door verweerder gehanteerde sanctiestelsel. Onder die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat eiseres in een eventuele latere procedure tegen een zwaardere sanctie wordt geconfronteerd met bewijsrechtelijke moeilijkheden bij het bestrijden van de rechtmatigheid van de waarschuwing.
2.5.
Het voorgaande brengt mee dat de waarschuwing in dit geval voor de toepassing van de rechtsbescherming met een beschikking als bedoeld in de Lar moet worden gelijkgesteld. Het beroep tegen de waarschuwing is derhalve ontvankelijk.
Het geschil en de standpunten van partijen
3.1.
In geschil zijn de rechtmatigheid van de waarschuwing van 22 oktober 2025 en de rechtmatigheid van de beschikking van 4 december 2025 waarbij het entertainmentverzoek is afgewezen.
3.2.
Ten aanzien van de waarschuwing betwist eiseres dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening. Volgens eiseres heeft op 19 oktober 2025 geen live entertainment plaatsgevonden in de vorm van versterkte DJ-muziek en is evenmin gelegenheid tot dansen geboden. Voorts betwist eiseres dat de in de exploitatievergunning opgenomen geluidsgrens van 60 dB(A) is overschreden. Volgens eiseres is deze geluidsgrens bovendien onredelijk en in strijd met de REP, nu daaruit zou volgen dat voor een etablissement in een zogenoemde mixed area een aanzienlijk hogere geluidsnorm geldt.
3.3.
Ten aanzien van de afwijzing van het entertainmentverzoek stelt eiseres dat verweerder ten onrechte betekenis heeft toegekend aan klachten die buiten de publicatietermijn zijn ingediend. Daarnaast zijn deze klachten volgens eiseres uitsluitend afkomstig van nabijgelegen ondernemingen, waaronder [buur 1] en [buur 2], die zelf met regelmaat evenementen organiseren waarbij versterkte muziek ten gehore wordt gebracht. Volgens eiseres moeten deze klachten daarom worden bezien tegen de achtergrond van concurrentieverhoudingen tussen de betrokken ondernemingen. Eiseres betwist voorts dat zij de aan de exploitatievergunning verbonden voorwaarden heeft overtreden. In dat verband voert zij aan dat het omgevingsgeluid ter plaatse reeds zonder muziek een niveau van meer dan 60 dB(A) kan bereiken. Tot slot beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt zij dat aan nabijgelegen ondernemingen, waaronder [buur 1] en [buur 2], wel toestemming is verleend voor het organiseren van evenementen met DJ’s, entertainment en gelegenheid tot dansen.
3.4.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de waarschuwing terecht is gegeven. Volgens verweerder volgt uit waarnemingen van toezichthouders en verrichte geluidsmetingen tijdens een controle op 19 oktober 2025 dat de vergunde geluidsnorm is overschreden en dat entertainmentactiviteiten hebben plaatsgevonden zonder de daarvoor vereiste toestemming. Ter onderbouwing heeft verweerder onder meer een controlerapport van 20 oktober 2025 overgelegd. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de in de exploitatievergunning opgenomen geluidsgrens van 60 dB(A) in deze procedure niet ter discussie kan worden gesteld, nu eiseres tegen die vergunning geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Na afweging van de betrokken belangen acht verweerder het geven van de waarschuwing gerechtvaardigd. Daarbij wijst verweerder erop dat eiseres voorafgaand aan het evenement reeds per e-mail erop was gewezen dat voor het organiseren daarvan de vereiste toestemming ontbrak.
3.5.
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het entertainmentverzoek terecht is afgewezen. Daartoe verwijst verweerder naar diverse schriftelijke klachten over geluidsoverlast die in de beoordeling zijn betrokken. Naar aanleiding van deze klachten hebben inspecties plaatsgevonden op 19 oktober 2025 en 30 november 2025. Daarbij is volgens verweerder geconstateerd dat de vergunde geluidslimiet werd overschreden en dat de activiteiten niet beperkt bleven tot achtergrondmuziek, maar het karakter hadden van entertainment. Verweerder betwist dat aan de klachten geen betekenis toekomt omdat deze afkomstig zijn van nabijgelegen ondernemingen. Volgens verweerder blijkt uit de overgelegde stukken dat eiseres structureel activiteiten ontplooit die verder gaan dan op grond van de exploitatievergunning zijn toegestaan. Er is volgens verweerder sprake van een patroon van niet-naleving van de exploitatievergunning. Gelet op de hem toekomende beoordelings- en beleidsruimte en na afweging van de betrokken belangen heeft verweerder het entertainmentverzoek volgens hem in redelijkheid kunnen afwijzen.
3.6.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling van de waarschuwing
4.1.
Het Gerecht stelt voorop dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat eiseres op 19 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorwaarden. Daarnaast dient verweerder aannemelijk te maken dat op die datum activiteiten hebben plaatsgevonden waarvoor de vereiste toestemming ontbrak.
4.2.
Verweerder heeft aan de waarschuwing onder meer ten grondslag gelegd dat eiseres heeft gehandeld in strijd met artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening. In dit artikel is bepaald dat het de houder verboden is in een voor het publiek toegankelijke lokaliteit, zonder schriftelijke toestemming van de minister, de Minister van Justitie gehoord, muziek, vertoningen of andere verrichtingen ten vermake van het publiek te maken, te geven of toe te laten, of gelegenheid tot dansen te geven of dansen toe te laten.
4.3.
Uit het controlerapport van 20 oktober 2025 volgt dat eiseres voorafgaand aan 19 oktober 2025 reclame heeft gemaakt voor een op die datum te houden beach party, waarbij DJ-optredens en live muziek werden aangekondigd. Op 19 oktober 2025 hebben toezichthouders ter plaatse een inspectie uitgevoerd. Volgens het controlerapport hebben zij daarbij waargenomen dat DJ’s optraden voor een publiek van ongeveer 40 tot 50 personen. Tevens zijn tussen 18:20 uur en 19:40 uur op vijf verschillende perceelsgrenzen geluidsmetingen verricht. Daarbij zijn geluidsniveaus gemeten variërend van 69 tot 79 dB(A).
5.1.
Eiseres heeft betoogd dat de in de exploitatievergunning opgenomen geluidsgrens van 60 dB(A) onredelijk is en in strijd met de REP. Het Gerecht stelt voorop dat deze geluidsgrens is opgenomen in de op 18 juli 2025 verleende exploitatievergunning. Tegen deze vergunning zijn door eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. Daarmee is de vergunning, inclusief de daaraan verbonden voorwaarden, in rechte onaantastbaar geworden.
5.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling komt aan in rechte onaantastbare vergunningvoorschriften verbindende kracht toe. Uit een oogpunt van rechtszekerheid dient van de geldigheid van dergelijke voorschriften te worden uitgegaan, zolang deze niet zijn vernietigd of herroepen. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9954, 24 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ6851 en 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8064.
5.3.
Op deze regel geldt slechts een beperkte uitzondering indien sprake is van een bijzonder geval waarin moet worden geoordeeld dat het betrokken voorschrift evident niet gesteld had mogen worden, bijvoorbeeld omdat het iedere wettelijke grondslag ontbeert of anderszins zodanig gebrekkig is dat het niet aan de handhaving ten grondslag kan worden gelegd.
5.4.
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidsgrens van 60 dB(A) een dergelijk evident gebrek vertoont. Niet is gebleken dat deze grens evident onverenigbaar is met de gestelde geluidslimieten in de REP of anderszins iedere grondslag ontbeert. Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat de locatie, anders dan eiseres stelt, niet is gelegen in een gebied dat in de REP als “mixed area” is aangewezen.
5.5.
Gelet op het voorgaande moet van de geldigheid van de vergunningsvoorwaarde worden uitgegaan en is eiseres gehouden deze na te leven.
6.1.
Het Gerecht is van oordeel dat het controlerapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen waarnemingen en meetresultaten.
6.2.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat ter plaatse reeds zonder muziek een geluidsniveau van meer dan 60 dB(A) kan voorkomen als gevolg van omgevingsgeluiden, waaronder het geluid van de zee, leidt dit niet tot een ander oordeel. De door eiseres overgelegde videobeelden van eigen geluidsmetingen bieden onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de door toezichthouders verrichte metingen. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat niet is gebleken dat de metingen van eiseres zijn uitgevoerd met gekalibreerde meetapparatuur of overeenkomstig een gestandaardiseerde meetmethode. Bovendien laat dit onverlet dat tijdens de inspectie van 19 oktober 2025 op vijf verschillende perceelsgrenzen geluidsniveaus zijn gemeten die aanzienlijk hoger lagen dan de vergunde grenswaarde van 60 dB(A).
6.3.
Op basis van het controlerapport kan worden vastgesteld dat op 19 oktober 2025 op de locatie DJ-optredens hebben plaatsgevonden voor publiek en dat versterkte muziek ten gehore is gebracht, waarbij de in de exploitatievergunning opgenomen geluidsgrens is overschreden. Voor zover eiseres betwist dat op 19 oktober 2025 DJ-optredens hebben plaatsgevonden, volgt het Gerecht haar daarin niet. Deze stelling vindt geen steun in de stukken en uit het controlerapport volgt dat toezichthouders ter plaatse DJ-optredens hebben waargenomen. De door eiseres voorafgaand aan het evenement verspreide reclame-uitingen, waarin meerdere DJ’s en live muziek werden aangekondigd, vormen daarvoor aanvullende ondersteuning.
6.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres op 19 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met de aan haar verleende exploitatievergunning en dat activiteiten hebben plaatsgevonden waarvoor de vereiste toestemming ontbrak. De vastgestelde activiteiten vallen naar het oordeel van het Gerecht onder het in artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening opgenomen verbod om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming muziek of andere verrichtingen ten vermake van het publiek te geven of toe te laten. Vaststaat dat voor deze activiteiten geen afzonderlijke toestemming op grond van artikel 52 was Pro verleend. Verweerder heeft derhalve ook voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres heeft gehandeld in strijd met artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening.
6.5.
Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten eiseres een waarschuwing te geven. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat verweerder eiseres voorafgaand aan het evenement reeds per e-mail erop had gewezen dat voor de aangekondigde activiteiten de vereiste toestemming ontbrak. Eiseres heeft er desondanks voor gekozen het evenement doorgang te laten vinden.
6.6.
Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder selectief heeft gehandhaafd, overweegt het Gerecht dat voor die stelling geen concrete aanknopingspunten bestaan. Uit de stukken volgt dat verweerder naar aanleiding van klachten en openbare aankondigingen tot inspectie is overgegaan. Van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken.
Beoordeling van de afwijzing van het entertainmentverzoek
7.1.
Het Gerecht stelt voorop dat verweerder bij de beoordeling van een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening beoordelingsruimte toekomt. Het is aan verweerder om, met inachtneming van de betrokken belangen, te beoordelen of aanleiding bestaat de gevraagde toestemming te verlenen dan wel te weigeren. Het Gerecht dient terughoudend te toetsen of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
7.2.
Eiseres heeft betoogd dat verweerder ten onrechte betekenis heeft toegekend aan klachten die eerst na afloop van de publicatietermijn zijn ingediend. Het Gerecht volgt eiseres daarin niet. De omstandigheid dat geen formele bezwaren zijn ingediend binnen de publicatietermijn brengt niet mee dat verweerder bij zijn besluitvorming uitsluitend acht mag slaan op feiten en omstandigheden die gedurende die termijn naar voren zijn gebracht. Verweerder mocht bij de beoordeling van het entertainmentverzoek alle relevante feiten en omstandigheden betrekken die hem vóór het nemen van de beschikking bekend waren geworden.
7.3.
Verweerder heeft in dat verband verschillende klachten ontvangen over de exploitatie van eiseres. De door verweerder overgelegde klachten hebben onder meer betrekking op geluidsoverlast, parkeerproblemen en incidenten rond het gebruik van parkeerplaatsen. Naar het oordeel van het Gerecht mocht verweerder deze klachten bij zijn beoordeling betrekken. Daarbij merkt het Gerecht wel op dat aan klachten over geluidsoverlast in het kader van een verzoek om toestemming voor muziek- en entertainmentactiviteiten meer betekenis toekomt dan aan klachten die betrekking hebben op parkeerperikelen of andere gedragingen die slechts indirect verband houden met de gevraagde toestemming.
7.4.
Het Gerecht volgt eiseres niet in haar betoog dat aan de klachten geen betekenis toekomt omdat deze afkomstig zouden zijn van concurrerende ondernemingen. Uit de stukken blijkt dat klachten niet uitsluitend afkomstig zijn van nabijgelegen ondernemingen, maar ook van personen die eigenaar zijn van nabijgelegen appartementen. Reeds daarom bestaat geen aanleiding de klachten enkel vanwege de herkomst daarvan buiten beschouwing te laten. Het stond verweerder vrij de inhoud van de klachten bij zijn beoordeling te betrekken.
7.5.
Naar het oordeel van het Gerecht ligt de kern van deze zaak echter niet uitsluitend in de ontvangen klachten, maar ook in de vaststaande overtreding van 19 oktober 2025. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres op die datum zonder de vereiste toestemming entertainmentactiviteiten heeft georganiseerd en daarbij de aan haar exploitatievergunning verbonden geluidsnorm heeft overschreden. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat eiseres voorafgaand aan het evenement uitdrukkelijk erop was gewezen dat de vereiste toestemming ontbrak. Eiseres heeft desondanks besloten het evenement doorgang te laten vinden.
7.6.
Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt mede gewezen op een inspectie die op 30 november 2025 heeft plaatsgevonden. In beroep heeft eiseres echter een door de Minister van Justitie verleende toestemming voor een op die datum gehouden verjaardagsfeest overgelegd. Uit die toestemming volgt dat het evenement onder voorwaarden mocht plaatsvinden, waaronder de voorwaarde dat geen overlast mocht worden veroorzaakt en dat het geluidsniveau diende te worden teruggebracht tot het vergunde niveau van 60 dB(A). Reeds hierom kan aan de enkele omstandigheid dat op 30 november 2025 een evenement heeft plaatsgevonden niet zonder meer de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan heeft gehecht.
7.7.
Het voorgaande leidt evenwel niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot de afwijzing van het entertainmentverzoek heeft kunnen besluiten. Ook indien de gebeurtenissen van 30 november 2025 buiten beschouwing worden gelaten, heeft verweerder doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de overtredingen die op 19 oktober 2025 zijn vastgesteld. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze overtredingen afbreuk doen aan het vertrouwen dat de gevraagde entertainmentactiviteiten binnen de geldende vergunningvoorwaarden zullen plaatsvinden. Gelet daarop heeft verweerder het verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 52 van Pro de Vergunningslandsverordening mogen afwijzen.
7.8.
Voor zover eiseres zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit betoog niet. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan [buur 1] een exploitatievergunning is verleend die vergelijkbare voorwaarden bevat als de aan eiseres verleende exploitatievergunning, waaronder een maximale geluidsgrens van 60 dB(A). Deze vergunning bevat bovendien geen toestemming voor entertainmentactiviteiten. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat eiseres ten opzichte van [buur 1] ongelijk wordt behandeld. Integendeel, uit de stukken volgt dat aan [buur 1] vergelijkbare beperkingen zijn opgelegd als aan eiseres.
7.9.
Ook ten aanzien van [buur 2] heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gelijk geval. Vaststaat dat [buur 2] beschikt over een vergunning die reeds geruime tijd geleden onder andere omstandigheden is verleend. Bovendien is niet gebleken dat sprake is van vergelijkbare overtredingen of dat verweerder ten aanzien van [buur 2] bekend is met vergelijkbare overtredingen of andere omstandigheden als die welke aan de afwijzing van het verzoek van eiseres ten grondslag zijn gelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt daarom.
7.10.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder het entertainmentverzoek in redelijkheid kunnen afwijzen.
Hoe nu verder?
8.1.
Het Gerecht acht het wenselijk partijen nog het volgende mee te geven. Uit deze uitspraak volgt niet dat voor eiseres blijvend geen ruimte bestaat om in de toekomst toestemming te verkrijgen voor entertainmentactiviteiten. Doorslaggevend voor de afwijzing van het onderhavige verzoek is geweest dat eiseres tijdens de behandeling daarvan reeds entertainmentactiviteiten heeft georganiseerd zonder de vereiste toestemming en daarbij de aan haar vergunning verbonden voorwaarden niet heeft nageleefd.
8.2.
Het ligt daarom in de eerste plaats op de weg van eiseres om zich voortaan nauwgezet aan de voorwaarden van haar exploitatievergunning te houden. Door gedurende een langere periode aantoonbaar overeenkomstig de vergunningsvoorwaarden te exploiteren, kan eiseres laten zien dat haar bedrijfsvoering in overeenstemming is met de geldende regels. Indien eiseres van mening blijft dat de ter plaatse geldende geluidsgrens van 60 dB(A) onvoldoende aansluit bij de feitelijke situatie ter plaatse, staat het haar vrij verweerder te verzoeken de exploitatievergunning te wijzigen. Zolang een dergelijke wijziging niet heeft plaatsgevonden, dient echter van de geldigheid van de huidige vergunningvoorwaarden te worden uitgegaan.
8.3.
Voor verweerder ligt er tegelijkertijd de taak om te blijven streven naar een consistente en transparante regulering van het betrokken gebied. Het Gerecht neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat nieuw beleid in voorbereiding is waarbij de verschillende gebieden op Sint Maarten nader in kaart worden gebracht en beter zullen worden geclassificeerd. Een dergelijke beleidsontwikkeling kan bijdragen aan meer duidelijkheid voor ondernemers en omwonenden over de mogelijkheden en beperkingen van exploitatie en entertainmentactiviteiten.
8.4.
Voorts acht het Gerecht van belang dat verweerder erop toeziet dat vergelijkbare ondernemingen op gelijke wijze worden behandeld en dat toezicht en handhaving op consistente wijze plaatsvinden. Dat geldt temeer in een gebied waar meerdere horecagelegenheden op korte afstand van elkaar zijn gevestigd en waar de belangen van ondernemers, omwonenden en bezoekers nauw met elkaar verweven zijn.
Conclusie
9.1.
De beroepen zijn gelet op al het voorgaande ongegrond.
9.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het Gerecht:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 15 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.