ECLI:NL:OGEAM:2026:8

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
SXM202500940
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 FbArtikel 11 lid 4 Fb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing fixatiebeginsel bij betalingen na faillissement in Sint Maarten

De curator van AWG Architect Services N.V. vordert terugbetaling van betalingen die de bank na de faillietverklaring van AWG heeft verricht. De bank stelde dat zij niet op de hoogte was van het faillissement en dat het fixatiebeginsel niet zonder meer in Sint Maarten geldt vanwege het ontbreken van een insolventieregister en het late informeren door de curator.

Het Gerecht oordeelt dat het in Nederland aanvaarde fixatiebeginsel onverkort van toepassing is in Sint Maarten, mede omdat ook daar een faillissementsregister bestaat, zij het niet online toegankelijk. De curator heeft het faillissement tijdig gepubliceerd en de bank tijdig geïnformeerd. De betalingen na de faillietverklaring zijn daarom onrechtmatig en moeten worden terugbetaald.

De bank wordt veroordeeld tot betaling van USD 3.485,- aan de curator, alsmede de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De bank wordt veroordeeld tot terugbetaling van USD 3.485,- aan de curator en betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202500940
Vonnisdatum: 20 januari 2026
in de zaak van
mr. C.M. van LIERE, in zijn hoedanigheid van curator van
de naamloze vennootschap
AWG ARCHITECT SERVICES N.V. (D.B.A. GS PRODESIGN),
gevestigd in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. H. Naas,
tegen
de naamloze vennootschap
MADURO & CURIEL'S BANK N.V. H.O.D.N. WINDWARD ISLAND BANK,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. Veen.
Partijen zullen hierna “AWG”, “de curator” en “de bank” worden genoemd.
De zaak in het kort
De bank heeft na de datum van het faillissement nog betalingen vanaf de bankrekening van AWG gedaan. De curator vordert die bedragen terug. De bank beroept zich erop dat zij niet van het faillissement op de hoogte was en ook niet kon zijn. Het is onaanvaardbaar dat de bank aan de curator zou moeten betalen.
Het Gerecht wijst de vordering toe; het in Nederland aanvaarde fixatiebeginsel is ook in Sint Maarten onverkort van toepassing.
Summary of the case
After the date of bankruptcy, the bank made payments from the bankaccount of AWG. The curator is claiming those amounts back. The bank argues that it was not aware of the bankruptcy and could not have been aware of it. It is unacceptable that the bank should have to pay the curator.
The court grants the claim; the principle of fixation accepted in the Netherlands also applies in full in Sint Maarten.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift (Small Claim) met producties, op 26 augustus 2025 ter griffie ingediend;
  • de conclusie van antwoord van 7 oktober 2025 met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 december 2025 plaatsgevonden. Beide partijen en de gemachtigden waren ter zitting aanwezig. De bank werd vertegenwoordigd door mevrouw [gemachtigde]. Bij gelegenheid van deze mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, de curator mede aan de hand van door de gemachtigde overgelegde pleitaantekeningen.
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van dit Gerecht is AWG op maandag 21 oktober 2024 failliet verklaard met benoeming van Mr. Robbert Vriezen (HBNlaw) tot curator. Anders dan gebruikelijk was van tevoren geen contact opgenomen met mr. Vriezen. Dat is gebeurd op 31 oktober 2024.
2.2.
Op vrijdag 1 november 2024 heeft mr. Vriezen het Gerecht geïnformeerd dat hij ‘vrij’ stond en als curator zou kunnen optreden. Diezelfde dag ontving mr. Vriezen als curator het faillissementsvonnis.
2.3.
De curator heeft op 4 en 5 november 2024 de bestuurder van AWG en het Gerecht gesproken in verband met de mogelijkheid van het instellen van verzet.
2.4.
Op 6 november 2024 is het faillissement gepubliceerd in The Daily Herald. De curator heeft de bank per e-mail van 6 november 2024 (17:49 uur) van het faillissement op de hoogte gesteld.
2.5.
Tussen 31 oktober 2024 en 6 november 2024 zijn van de rekening van AWG bij de bank ten gunste van AWG betalingen verricht voor een totaalbedrag van USD 3.485,- (exclusief bankkosten).
2.6.
Mr. Van Liere heeft mr. Vriezen nadien opgevolgd als curator.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de bank tot betaling van een bedrag van USD 3.485,-, en met veroordeling van de bank in de proceskosten.
3.2.
De curator legt aan de vordering ten grondslag dat vanaf de dag van het faillissement het vermogen van de gefailleerde gefixeerd is. De betalingen die door de bank na dat moment zijn gedaan, zijn daarom van onwaarde jegens de boedel en dient de bank aan de curator te betalen.
3.3.
De bank heeft het volgende tot verweer gevoerd.
Het beroep van de curator op het fixatiebeginsel miskent zijn eigen rol in het ontstaan van de gestelde schade. Hij heeft nagelaten om het faillissement onverwijld te publiceren en om de banken onmiddellijk in kennis te stellen, terwijl juist dat op Sint Maarten noodzakelijk is omdat er geen insolventieregister bestaat. De fictie dat derden geacht worden onmiddellijk met het faillissement bekend te zijn is misschien strikt toepasbaar in Nederland maar niet op Sint Maarten.
Onder de omstandigheden van dit geval is toepassing van artikel 19 Faillissementsbesluit Pro 1931 (Fb) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat betekent dat het fixatiebeginsel ten opzichte van de bank niet al vanaf 21 oktober 2024 werking heeft, maar pas vanaf 7 november 2024, de datum waarop de bank feitelijk van het faillissement op de hoogte is gesteld. Voor betalingen die in de tussenliggende periode zijn verricht bestaat daarom geen restitutieplicht, omdat deze niet onbevoegd zijn uitgevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De toepassing van het fixatiebeginsel

4.1.
De kern van het geschil is de vraag of het fixatiebeginsel moet worden toegepast. Beide partijen hebben daartoe met een verschillende conclusie verwezen naar de vaste rechtspraak in Nederland, waaruit volgt dat het fixatiebeginsel op dit soort gevallen wordt toegepast. De wetgever en de hoogste rechter hebben een keuze gemaakt tussen, aan de ene kant, een derde te goeder trouw en, aan de andere kant, alle crediteuren te goeder trouw in het faillissement. Die keuze is uitgevallen in het voordeel van de crediteuren.
4.2.
De curator stelt zich op het standpunt dat het fixatiebeginsel van toepassing is en dat de bank daarom aan hem de betalingen moet vergoeden, die zij na de datum van faillietverklaring heeft verricht ten behoeve van AWG. De vordering van de curator ziet op 10 betalingen vanaf 31 oktober 2024, 10 dagen na het faillissement.
4.3.
De bank heeft aangevoerd dat de Nederlandse rechtspraak niet één-op-één op de Sint Maartense situatie kan worden toegepast. De bank heeft voor haar standpunt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal vóór een arrest van de Hoge Raad uit 2006. [1] De AG citeert daarin de Hoge Raad, die in een eerder arrest uit 1980 het fixatiebeginsel had aanvaard, omdat derden door de openbare uitspraak en door haar inschrijving in het faillissementsregister met het faillissement bekend kunnen zijn. Anders dan in Nederland heeft Sint Maarten geen faillissementsregister, aldus de bank.
4.4.
Uit het arrest van de Hoge Raad uit 2006 blijkt echter dat in die zaak de bank niet op de hoogte was van het faillissement en dat ook niet uit het faillissementsregister kon zijn:
3.2
Het gaat in dit geding om de vraag of de curator betaling (creditering in rekening-courant) van de bank kan vorderen van bedragen die de bank na de faillietverklaring aan een derde heeft voldaan ingevolge door de gefailleerde rekeninghouder na de faillietverklaring gegeven opdrachten tot betaling ten laste van diens creditsaldo in rekening-courant, terwijl de bank noch door publicatie van het faillissement noch op andere wijze op de hoogte was of moest zijn van het faillissement. [2]
En ook in deze situatie kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat de bank aan de curator de betalingen moest vergoeden die na het faillissement waren gedaan. Het bestaan van een faillissementsregister was dus niet relevant. Dat leidt daarom niet tot de conclusie dat het fixatiebeginsel in Sint Maarten niet geldt.
4.5.
Ook in latere rechtspraak heeft de Hoge Raad steeds bevestigd dat het fixatiebeginsel gelding heeft. [3]
Faillissementsregister in Sint Maarten
4.6.
Het Gerecht wijst daarbij nog op het volgende. Volgens artikel 16 Fb Pro houdt de griffier een openbaar register bij, samengevat, een faillissementsregister. Anders dan waarvan de bank kennelijk uitgaat, bestaat zo een register wel in Sint Maarten. Zowel digitaal als fysiek wordt dat register bijgehouden. Indien iemand zich aan de balie van het Gerecht meldt, zal de griffier inzage kunnen geven in dat register. Het register is alleen nog niet on-line beschikbaar voor het publiek
Onverwijlde publicatie
4.7.
De bank stelt zich ook op het standpunt dat het onaanvaardbaar is dat de bank ondanks haar onwetendheid van het faillissement aan de curator zou moeten betalen, omdat de curator niet “onverwijld” tot publicatie van het faillissement is overgegaan. [4]
4.8.
Ook dat standpunt verwerpt het Gerecht. Het is denkbaar dat de curator zo lang heeft gewacht met de openbaarmaking van het faillissement, dat het onaanvaardbaar zou zijn om tegen derden te goeder trouw, zoals de bank, een vordering als de onderhavige in te stellen. Dat is hier niet het geval.
AWG was niet aanwezig geweest bij de behandeling van het faillissementsverzoek. Daarom stond volgens binnen acht dagen na de faillietverklaring nog verzet open. [5] Die termijn was op 31 oktober 2024 al verstreken, toen de curator feitelijk werd benoemd. Dat de curator daarover eerst met de failliet en het Gerecht heeft overlegd, voordat hij tot publicatie is overgegaan, is hem niet te verwijten.
Op 5 november 2024 heeft de curator een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring ter publicatie aangeboden. Dat is de volgende dag, 6 november 2024, geplaatst in de Daily Herald en op 8 november 2024 in de Landscourant. Deze omstandigheden maken het niet onaanvaardbaar dat de bank de betalingen na 31 oktober 2024 aan of ten behoeve van AWG aan de curator dient te vergoeden.
Slotsom
4.9.
De slotsom is dat de vordering van de curator toewijsbaar is. Indien de bank het risico van betalingen na een faillissement wil beperken, zal zij andere wegen moeten volgen om uit te vinden of er faillissementsverzoeken tegen haar klanten aanhangig zijn.
Proceskosten
4.10.
De bank zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de curator tot op heden begroot op:
griffierecht Cg 100,00
salaris gemachtigde
Cg 500,00+ (2,0 punten x Cg 250,-)
totaal: Cg 600,00

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
veroordeelt de bank tot betaling aan de curator van een bedrag van USD 3.485,-;
5.2.
veroordeelt de bank tot betaling aan de curator van de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op Cg 600,-, te vermeerderen met de nakosten, tot op heden begroot op Cg 250,- zonder betekening en Cg 400,- na betekening van dit vonnis, en bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2026 tot aan de dag van algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door M.J. Schutjes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Voetnoten

1.Conclusie AG Huydecoper 27 januari 2006, ECLI:NL:PHR:AV0653
2.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:AV0653
3.Zie HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614 (ING/Manning q.q.), HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 (Koot/Tideman), Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.) en Hoge Raad 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022,80 (Flora/Wittekamp q.q.).
4.Artikel 11 lid 4 Fb Pro.
5.Artikel 7 Fb Pro.