Uitspraak
gevestigd te Deventer,
wonende te Arnhem,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de curator van het faillissement van Maatmetaal Arnhem B.V. terugbetaling van een bedrag van €6.000,-- dat de dag vóór het faillissement via een betaalopdracht was overgemaakt, maar waarvan de creditering op de rekening van de schuldeiser pas op de dag van het faillissement plaatsvond.
De kantonrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelden dat de betaling niet als voltooid kon worden beschouwd vóór het faillissement, omdat de bank nog handelingen moest verrichten ter effectuering van de betaling. JPR, de schuldeiser, stelde dat door de debitering van de rekening van Maatmetaal het bedrag het vermogen had verlaten en terugvordering niet mogelijk was.
De Hoge Raad bevestigt dat het moment van betaling het tijdstip is waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd (art. 6:114 lid 2 BW Pro), en dat de curator betalingen kan terugvorderen die na de faillissementsdag zijn gecrediteerd. De Hoge Raad komt daarmee deels terug op het arrest Vis q.q./NMB en introduceert een rechterlijk overgangsrecht, zodat deze nieuwe regel alleen geldt voor faillissementen uitgesproken na 20 maart 2015.
De Hoge Raad oordeelt tevens dat de bepalingen van art. 7:534 BW Pro en de Richtlijn betalingsdiensten niet afdoen aan deze terugvorderingsmogelijkheid. Ook het gebruik van intermediairs zoals Equens door banken verandert hieraan niets. Het beroep van JPR wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de curator betalingen kan terugvorderen die na aanvang van de faillissementsdag op de rekening van de schuldeiser zijn gecrediteerd.