Uitspraak
,
1.Het verloop van de procedure
2.De ontvankelijkheid
3.De grieven
4.Beoordeling
Landsverordening comptabiliteitsvoorschriften Curaçao, Bijlage bij AB 2010, no. 87 (zie hierna onder 4.4), artikel 33 lid 3 van Pro de
Staatsregeling van Curaçao, AB 2010, 86 (zie hierna onder 4.5), de artikelen 15 en 20-21 van de
Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, Stb. 2010, 334 (zie hierna onder 4.6) en het
Besluit van 13 juli 2012, houdende het geven van een aanwijzing aan het bestuur van Curaçao tot aanpassing van de begroting 2012, rekening houdend met de in artikel 15 van Pro de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten genoemde normen, Stb. 338 (zie hierna onder 4.7).
Erven Roosberg v. Eilandgebied Sint Eustatius(zie hierna onder 4.8) en HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8413, RvdW 2012/94,
De Goede Hoop v. Eilandgebied Curaçao(zie hierna onder 4.9). Subsidiair heeft het GEA geoordeeld dat ongerechtvaardigde verrijking kansrijk zou zijn. Het GEA heeft daarom de vordering van CWM toegewezen. Hiertegen richt zich het appel van het Land.
Landsverordening comptabiliteitsvoorschriften Curaçaoluiden:
Staatsregeling van de Nederlandse Antillen(wijziging bij P.B. 1986, no. 68), uitgewerkt in de ministeriële beschikking van de minister-president van 1 augustus 1986, no. 40/242/JAZ en bij het hierna in rov. 4.10 terugkomende
Algemeen machtigingslandsbesluit zelfstandig budgetbeheervan 19 november 2007, PB 2007, no. 99.
Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maartenluiden:
Besluit van 13 juli 2012, houdende het geven van een aanwijzing aan het bestuur van Curaçao tot aanpassing van de begroting 2012, rekening houdend met de in artikel 15 van Pro de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten genoemde normen(Stb. 338) houdt onder meer de aanwijzing tot het:
erven Roosberg v. Eilandgebied Sint Eustatius, is overwogen:
De Goede Hoop v. Eilandgebied Curaçaooverweegt de Hoge Raad:
Landsverordening comptabiliteitsvoorschriften Curaçao[zie hiervóór onder 4.4] dat overigens, blijkens de Toelichting ervan uitgaat dat ministers niet zelf privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten en dat er wel een begrotingspost is, alsmede artikel 21 lid 3 van Pro de
Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten[zie hiervóór onder 4.6]). Ambtshalve overweegt het Hof nog dat de opdracht door de minister niet valt te brengen onder het
Algemeen machtigingslandsbesluit zelfstandig budgetbeheervan 19 november 2007, PB 2007, no. 99, omdat er geen begrotingspost was en bovendien de opdracht niet valt onder een der onderwerpen, genoemd in artikel 1 lid 1 van Pro dit landsbesluit. De vraag rijst of de omstandigheden in dit geval zo exceptioneel waren dat het niet-betalen door het Land van de openstaande rekening onrechtmatig is jegens CWM. Met andere woorden of de onderhavige zaak in zoverre te vergelijken is met de zaak
Erven Roosberg v. Eilandgebied Sint Eustatius(zie hiervóór onder 4.8).
Plan Nashonal pa desaroyá Bario 2011-2014(verbetering wijken). De regering kondigt publiekelijk aan een beleidsvisie te hebben. ‘Het is de bedoeling dat openbare ruimtes gebruikt kunnen worden om sociale samenhang te stimuleren met behulp van basale, recreatie, culturele en commerciële faciliteiten.’ Zie pleitnota mr. Van den Heuvel in eerste aanleg, onder 6.4 met foto’s.
Financiën. Er dienen twee termijnstaten door de aannemer opgesteld te worden. Een voor het Vredenbergplein (CUROIL) en een voor het Wilhelminapark (RDK), aangezien beide pleinen verschillen gefinancierd worden’ (productie 1 bij dupliek Land).
Wilhelminaplein te Pundaen het
Margrietplein te Marie Pampoen.’ Zie pleitnota mr. Van den Heuvel in eerste aanleg, onder 6.12 met een foto.
Landsverordening comptabiliteitsvoorschriften Curaçao(zie hiervóór onder 4.4) en artikel 21 van Pro de
Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten(zie hiervóór onder 4.6) ontbrak. Desalniettemin moest ook toen van contractanten met de overheid worden verwacht dat zij tot op zekere hoogte onderzoek deden naar de bevoegdheid van degene die handelt voor de overheid en naar de naleving van staatsrechtelijke regels en regels betreffende de overheidsfinanciën. Hierbij is de tweede zin van artikel 3:11 BW Pro van overeenkomstige toepassing, te weten dat onmogelijkheid van onderzoek niet belet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen. Het Hof heeft een op de burger rustende ‘onderzoeksplicht’ aangenomen voor het Land Aruba (zie het Hofvonnis van 20 juni 2006,
Triple L v. Land Aruba,
Tijdschrift voor Antilliaans Recht-Justicia2006/4, p. 200 e.v., onder verwijzing naar een Hofvonnis van 16 september 2003,
Land Aruba v. Naar), maar dit geldt ook voor het Land Curaçao, al wijkt de comptabiliteitswetgeving in Curaçao af van die in Aruba.
Erven Roosberg v. Eilandgebied Sint Eustatius.