Uitspraak
200705490/1) dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. Gelet hierop is de omstandigheid dat de KNOB reeds sinds 1917 een subsidierelatie met de minister heeft niet van doorslaggevend belang bij de beoordeling van de redelijkheid van de gestelde termijn. Niet is gebleken dat de KNOB niet binnen de gegunde termijn van zes maanden in staat was de huur van het pand, alsmede de bestaande arbeidsrelatie op te zeggen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was tijdig een algemene ledenvergadering te beleggen waarop besluiten ter zake van contributie en herstructurering konden worden genomen. Het betoog van de KNOB dat zij een ruimere termijn nodig had omdat zij zich moest voorbereiden op een herstructurering van haar activiteiten en daartoe een visie moest ontwikkelen en voorts dat de gegunde termijn onvoldoende was om te zoeken naar nieuwe vormen van samenwerking, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat de minister de KNOB bij brief van 1 december 2006 heeft bericht dat een subsidieverzoek voor de jaren met ingang van 2008 en volgende niet meer op grond van de subsidieregeling kan worden ingediend. Vanaf dat moment had het de KNOB voldoende duidelijk kunnen en moeten zijn dat er een reële kans was dat de subsidiesystematiek per 1 januari 2008 zou wijzigen en dat zij voor het jaar 2008 geen subsidie meer zou ontvangen van de minister. De KNOB had vanaf dat moment een visie op herstructurering van haar activiteiten kunnen ontwikkelen en naar nieuwe mogelijkheden van samenwerking kunnen zoeken.