Deze zaak betreft een geschil over de eigendom en het gebruik van plantage Gato, een onroerende zaak van bijna 90 hectare, die toebehoort aan een langdurige onverdeelde boedel van nazaten van vrijgemaakte slaven. De familie Pietersz en familie Ferero voeren meerdere procedures over afstamming, bezit en verhuur van gedeelten van de plantage. Het Hof constateert dat geen van beide families exclusief eigenaar is en dat de boedel als langdurig onverdeeld moet worden beschouwd.
Beide partijen hebben huurovereenkomsten gesloten met verschillende belangenbehartigers van de deelgenoten. De appellant, de oudere huurder, vordert ontruiming en afbraak van bouwactiviteiten van de geïntimeerde, die een woning bouwt op het perceel. De rechtbank in eerste aanleg wees deze vorderingen af. Het Hof oordeelt dat het in kort geding niet mogelijk is om definitief vast te stellen wie rechthebbende is, maar beveelt een bouwstop om eigenrichting te voorkomen.
Het Hof benadrukt dat beide huurders belanghebbenden zijn en dat zij een verzoek kunnen doen voor oplossing van de langdurige onverdeeldheid. Het Hof gelast een comparitie ter plaatse om de situatie te beoordelen en eventueel tot een schikking te komen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.