ECLI:NL:OGHACMB:2020:137
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis over einde huur en afwijzing vordering ongerechtvaardigde verrijking
In deze zaak gaat het om een geschil tussen huurder en verhuurder over de beëindiging van een huurovereenkomst en de vraag of de huurder recht heeft op vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. De huurder had een perceel grond gehuurd waarop hij investeringen had gedaan, waaronder bouwwerken en plaatsing van containers. De huurovereenkomst bepaalde dat alle aangebrachte veranderingen automatisch eigendom van de verhuurder werden.
Na ontruiming van het gehuurde stelde de huurder een vordering in op grond van ongerechtvaardigde verrijking wegens waardestijging van het perceel door zijn investeringen. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat de huurder niet in zijn bewijs was geslaagd dat de huurwaarde door zijn investeringen was gestegen. Het taxatierapport toonde geen waardestijging aan op het moment van ontruiming in 2012.
Het Hof sluit zich aan bij de bewijswaardering van het Gerecht en overweegt dat de huurder de stelplicht en bewijslast draagt. De huurder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhuurder daadwerkelijk profijt heeft gehad van de aangebrachte veranderingen. Ook de stelling dat de verhuurder het perceel voor een hogere huurprijs verhuurt, is onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is de vordering tot betaling van twee maanden huur in reconventie terecht toegewezen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden vonnis bevestigd. De huurder wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden vonnis bevestigd waarbij de vordering tot vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen.