Uitspraak
af.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Betrokkene was werkzaam als pijpfitter bij Curaçaose Dok Maatschappij N.V. (CDM) en later als uitzendkracht via Bureau Arbeidspool voor Dokwerkers N.V. (BAD). Na een arbeidsongeval in 2004 kende de Sociale Verzekeringsbank ongevallengeld toe op basis van het toen geldende dagloon bij BAD. Een geschil over lagere beloning van uitzendkrachten leidde in 2013 tot individuele vaststellingsovereenkomsten, waarbij betrokkene een vergoeding ontving van CDM. Het Hof oordeelde in 2018 dat CDM als werkgever moest worden beschouwd en het ongevallengeld dienovereenkomstig moest worden aangepast.
Na een nieuwe beschikking van de Bank in maart 2018 die uitvoering gaf aan het Hof, verzocht betrokkene in januari 2019 het Hof om te bepalen dat de Bank alsnog aan de uitspraak van 2018 moest voldoen. Het Hof overweegt dat dit verzoek binnen zes weken na de beschikking van maart 2018 had moeten worden ingediend. Omdat betrokkene dit niet tijdig deed en fouten van zijn gemachtigde voor zijn risico komen, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast stelt het Hof dat de Bank wel correct uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 2018 en dat betrokkene niet tekort is gedaan. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek van betrokkene wordt afgewezen wegens niet-tijdige indiening en de Bank heeft correct uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak.